Auteur: Henk Tennekes

  • Agro-ecologie in plaats van agro-business

    Agro-ecologie in plaats van agro-business

    Uit ethisch oogpunt verdient de agro-ecologische landbouw de voorkeur boven de intensieve landbouw. De eerste aanpak is duurzamer, respecteert boeren en de biodiversiteit in de landbouw en verkleint de kloof tussen productie en consumptie van voedsel. De intensieve landbouw is nu dominant en heeft de verbindingen tussen land, voedselproductie en de maaltijd doorgesneden. Problemen als overgewicht, ondervoeding, gebrek aan duurzaamheid en dierenwelzijn hangen samen met deze gangbare wijze van productie en consumptie van voedsel. Deze problemen kunnen worden aangepakt als de productiesector beter luistert naar de consumenten en de consumenten kritischer worden. Dat zegt prof. dr. Michiel Korthals bij zijn afscheid als hoogleraar Toegepaste Filosofie aan Wageningen Universiteit.

    Uit ethisch oogpunt verdient de agro-ecologische landbouw de voorkeur boven de intensieve landbouw. De eerste aanpak is duurzamer, respecteert boeren en de biodiversiteit in de landbouw en verkleint de kloof tussen productie en consumptie van voedsel. De intensieve landbouw is nu dominant en heeft de verbindingen tussen land, voedselproductie en de maaltijd doorgesneden. Problemen als overgewicht, ondervoeding, gebrek aan duurzaamheid en dierenwelzijn hangen samen met deze gangbare wijze van productie en consumptie van voedsel. Deze problemen kunnen worden aangepakt als de productiesector beter luistert naar de consumenten en de consumenten kritischer worden. Dat zegt prof. dr. Michiel Korthals bij zijn afscheid als hoogleraar Toegepaste Filosofie aan Wageningen Universiteit.

    De agro-ecologische landbouw verdient grotere overheids-, financiële en wetenschappelijke steun, vindt prof. Korthals. Wetenschappers, technologen en bedrijven op het gebied van de voedingsmiddelenindustrie moeten beter luisteren naar wat er gebeurt voor en tijdens de maaltijd en op het boerenbedrijf. Hij introduceert in dit verband onder andere het begrip ‘voedseldemocratie’.

    In zijn afscheidsrede legt Korthals de twee tegengestelde landbouwproductiemethoden, de intensieve landbouw en de extensieve agro-ecologische productie, langs een meetlat van een zestal ethische vragen. Die zijn: Kan de agrarische en voedingsmiddelensector honger, armoede en ondervoeding verminderen? Is zij duurzaam? Is zij diervriendelijk? Is zij eerlijk en rechtvaardig tegenover boeren en anderen? Stimuleert zij de leefbaarheid op het platteland? En is zij consumentvriendelijk: vermindert ze de kloof tussen productie en consumptie en weet zij op een positieve manier de verbinding te leggen tussen de stad en het platteland?

    Prof. Korthals concludeert dat het huidige, intensieve systeem van voedselproductie, dat gebruikmaakt van veel chemische middelen en fossiele brandstoffen, gebaseerd is op een wetenschappelijke, technologische en industriële aanpak via grote monopolies. Het misbruikt dieren, heeft de verbinding tussen de producenten enerzijds en de burgers, consumenten en boeren anderzijds verbroken, is niet duurzaam en vergroot de armoede. De extensieve agro-ecologische productiewijze daarentegen is duurzamer, respecteert boeren en agrobiodiversiteit en vermindert de kloof tussen productie en consumptie. Daarom scoort de laatste op ethische criteria beter dan de eerste.

    Bron: Wageningen Universiteit, 28/04/14 & Food Holland
    http://www.foodholland.nl/nieuws/artikel.html?id=158607

  • De Partij voor de Dieren en Stichting Bollenboos presenteren 30 april 2014 in Diever (Drenthe) het eerste zwartboek van het meldpunt Gifklikker.nl

    De Partij voor de Dieren en Stichting Bollenboos presenteren 30 april 2014 in Diever (Drenthe) het eerste zwartboek van het meldpunt Gifklikker.nl

    Het zwartboek bundelt honderden zorgen en klachten van verontruste burgers uit heel Nederland over het gebruik van bestrijdingsmiddelen in hun leefomgeving. Kamerlid Esther Ouwehand overhandigt het eerste exemplaar aan een zwangere vrouw die zich zorgen maakt over de effecten van landbouwgif op haar ongeboren kind. Na de presentatie van het zwartboek lanceren de initiatiefnemers een geheel vernieuwde Gifklikker-website. Ook kondigen ze nieuwe acties aan die duidelijk maken dat veel mensen ongewild worden blootgesteld aan gifstoffen uit de landbouw. De Partij voor de Dieren en Bollenboos intensiveren daarmee hun inzet in de strijd tegen landbouwgif. Dat blijkt hard nodig om het kabinet aan te zetten tot maatregelen.

    Het zwartboek bundelt honderden zorgen en klachten van verontruste burgers uit heel Nederland over het gebruik van bestrijdingsmiddelen in hun leefomgeving. Kamerlid Esther Ouwehand overhandigt het eerste exemplaar aan een zwangere vrouw die zich zorgen maakt over de effecten van landbouwgif op haar ongeboren kind. Na de presentatie van het zwartboek lanceren de initiatiefnemers een geheel vernieuwde Gifklikker-website. Ook kondigen ze nieuwe acties aan die duidelijk maken dat veel mensen ongewild worden blootgesteld aan gifstoffen uit de landbouw. De Partij voor de Dieren en Bollenboos intensiveren daarmee hun inzet in de strijd tegen landbouwgif. Dat blijkt hard nodig om het kabinet aan te zetten tot maatregelen.

    De Partij voor de Dieren en omwonendenorganisatie Bollenboos voeren een langlopende campagne tegen het grootschalige gifgebruik in de Nederlandse landbouw. Vanwege de grote zorgen bij omwonenden richtten zij het meldpunt Gifklikker.nl op. Sinds de lancering in april vorig jaar zijn honderden meldingen gedaan over het gif waar omwonenden ongevraagd aan worden blootgesteld. De meldingen uit het eerste jaar zijn gebundeld in het eerste Zwartboek Gifklikker. Esther Ouwehand zal het zwartboek overhandigen aan het kabinet bij het debat over de gevolgen van landbouwgif voor omwonenden. Dat debat zal later dit jaar in de Tweede Kamer worden gevoerd.

    De Gezondheidsraad vindt dat een initiatief als Gifklikker.nl eigenlijk door de overheid had moeten worden genomen. In het rapport Gewasbescherming en omwonenden, dat verscheen na Kamervragen van de Partij voor de Dieren, wordt bevestigd dat omwonenden risico kunnen lopen op ernstige ziekten door het gifgebruik in hun buurt. Voorbeelden zijn de ziekte van Parkinson en verschillende vormen van kanker. De Raad heeft het kabinet dan ook geadviseerd maatregelen te treffen en verder onderzoek te stellen.
    Verder merkte de Gezondheidsraad op dat er geen overheidsloket bestaat waar mensen terecht kunnen met hun vragen en zorgen over gifgebruik in hun buurt. Het kabinet liet in een reactie weten zo’n loket niet nodig te vinden. Het groot aantal meldingen op Gifklikker.nl toont aan dat er juist grote behoefte aan is. Reden voor de initiatiefnemers om de website te verbeteren en door te gaan met het meldpunt. Gifklikker.nl blijft open voor iedereen die ervaringen met gifgebruik kenbaar wil maken en zorgen wil delen. Het vernieuwde Gifklikker.nl is een naast een meldpunt bovendien een toegankelijke informatiebron over bestrijdingsmiddelen.
    Esther Ouwehand: “Zolang de regering niets doet, geven wij met Gifklikker.nl omwonenden een stem. De vele meldingen laten zien dat de gifspuit een enorme impact heeft op het dagelijks leven van mensen in het hele land. Totdat alle giftige troep van het land is, gaan wij door met actievoeren. Blijf melden!”

    De campagne tegen landbouwgif wordt voorgezet met ludieke acties op plaatsen waar omwonenden en passanten ongewild worden blootgesteld aan gevaarlijke gifstoffen. Esther Ouwehand roept de komende dagen drukke fiets- en recreatieroutes in Drenthe, Overijssel en in de Bollenstreek in Noord- en Zuid-Holland uit tot gifvrije zones. Dat doet zij samen met Bollenboos en Corinne Cornelisse, kandidaat bij de komende Europese Verkiezingen voor de Partij voor de Dieren. Cornelisse zet de schijnwerpers op het Europese gifbeleid dat alle ruimte geeft aan de chemische industrie ten koste van de gezondheid van mens, dier en natuur. Doordat de Europese Unie steeds bepalender is geworden voor het gifbeleid in de lidstaten, is er grote noodzaak ook in Brussel in het geweer te komen tegen landbouwgif.
    Corinne Cornelisse: “Het Europese gifbeleid bedreigt de volksgezondheid. Brussel geeft de gifproducenten voorrang boven het belang van een gifvrije leefomgeving. Dat moet veranderen. De EU-regels moeten flink worden aangescherpt, zodat kinderen niet meer door de gifnevels naar school hoeven te fietsen, en mensen zonder risico in hun eigen achtertuin kunnen zitten.”

    Bron: Persbericht PvdD, 29-04-14

  • Closer to reality — the influence of toxicity test modifications on the sensitivity of Gammarus roeseli to the insecticide imidacloprid

    Closer to reality — the influence of toxicity test modifications on the sensitivity of Gammarus roeseli to the insecticide imidacloprid

    Laboratory toxicity test designs are far from reality and therefore extrapolations to field situations may be more difficult. In laboratory experiments with the amphipod Gammarus roeseli exposed to the insecticide imidacloprid it was investigated if test conditions closer to reality influences its sensitivity and if it is possible to extrapolate results from these laboratory tests to results from a stream mesocosm study. Experiments were run by varying medium, temperature, size, and seasonal origin of gammarids. Age and seasonal aspects had strongest effects with juveniles and animals taken from a spring population being most sensitive with an EC50 (96 h) of 14.2 mg/L imidacloprid. The test designs closest to the conditions in the stream mesocosms reflected best the results in mesocosms study on basis of LOEC values. However, the ECx extrapolation failed to predict the effects of short term imidacloprid pulses in the field.

    Laboratory toxicity test designs are far from reality and therefore extrapolations to field situations may be more difficult. In laboratory experiments with the amphipod Gammarus roeseli exposed to the insecticide imidacloprid it was investigated if test conditions closer to reality influences its sensitivity and if it is possible to extrapolate results from these laboratory tests to results from a stream mesocosm study. Experiments were run by varying medium, temperature, size, and seasonal origin of gammarids. Age and seasonal aspects had strongest effects with juveniles and animals taken from a spring population being most sensitive with an EC50 (96 h) of 14.2 mg/L imidacloprid. The test designs closest to the conditions in the stream mesocosms reflected best the results in mesocosms study on basis of LOEC values. However, the ECx extrapolation failed to predict the effects of short term imidacloprid pulses in the field.

    Source:
    R. Böttger et al. Ecotoxicology and Environmental Safety 81 (2012) 49–54

  • The nightingale is in dangerous decline and could disappear from Britain

    The nightingale is in dangerous decline and could disappear from Britain

    A 2012 survey by the British Trust for Ornithology showed there are just 3300 pairs of nightingales left in the whole country. Data from the organisation also suggests the number of the birds in Britain dropped by 57 per cent between 1995 and 2009.

    A 2012 survey by the British Trust for Ornithology showed there are just 3300 pairs of nightingales left in the whole country. Data from the organisation also suggests the number of the birds in Britain dropped by 57 per cent between 1995 and 2009.

    Read more: http://www.dailymail.co.uk/news/article-2614463/The-end-nightingales-song-

  • Deutlich weniger Amphibien wandern zu den Laichplätzen – Pestizide bedrohen die Tierbestände

    Deutlich weniger Amphibien wandern zu den Laichplätzen – Pestizide bedrohen die Tierbestände

    Wolfgang Friedel wundert sich. “So ein Jahr wie dieses habe ich noch nicht erlebt”, sagt der Hammelburger. Mit seiner Frau Marion betreut Friedel für Tierschutzbund und Bund Naturschutz (BN) schon seit Jahrzehnten die Amphibienwanderstrecke vom Hammelberg in die Fischteiche. Dabei kreuzen die Tiere die viel befahrene KG 12 zwischen Hammelburg und Elfershausen. Nach seinen Aufzeichnungen sind dieses Jahr nur etwa ein Drittel der Kröten zu den Laichplätzen gewandert. Große Sorge bereiten den Naturschützern neue Forschungsergebnisse zu den Auswirkungen des Gifteinsatzes in der konventionellen Landwirtschaft und im Gartenbereich. Eine aktuelle Studie der Universität Koblenz-Landau zeigt, dass schon der Einsatz der empfohlenen Menge an Fungiziden, Herbiziden und Insektiziden bei Grasfröschen zu einer Sterblichkeitsrate von bis zu 100 Prozent führt.

    Wolfgang Friedel wundert sich. “So ein Jahr wie dieses habe ich noch nicht erlebt”, sagt der Hammelburger. Mit seiner Frau Marion betreut Friedel für Tierschutzbund und Bund Naturschutz (BN) schon seit Jahrzehnten die Amphibienwanderstrecke vom Hammelberg in die Fischteiche. Dabei kreuzen die Tiere die viel befahrene KG 12 zwischen Hammelburg und Elfershausen. Nach seinen Aufzeichnungen sind dieses Jahr nur etwa ein Drittel der Kröten zu den Laichplätzen gewandert. Große Sorge bereiten den Naturschützern neue Forschungsergebnisse zu den Auswirkungen des Gifteinsatzes in der konventionellen Landwirtschaft und im Gartenbereich. Eine aktuelle Studie der Universität Koblenz-Landau zeigt, dass schon der Einsatz der empfohlenen Menge an Fungiziden, Herbiziden und Insektiziden bei Grasfröschen zu einer Sterblichkeitsrate von bis zu 100 Prozent führt.

    Die Wissenschaftler fanden heraus, dass Frösche die tödlichen Pestizide direkt über die Haut aufnehmen. Laut Bund für Umwelt- und Naturschutz (BUND) stieg der Verbrauch von Glyphosat zur Unkrautvernichtung in zehn Jahren von 1000 auf 5000 Tonnen.
    Nicht zuletzt deswegen setzt sich der BN für ökologische Landwirtschaft und Naturgärten ohne Chemie ein.

    Quelle: Main Post, im April 2014
    http://www.mainpost.de/regional/bad-kissingen/Viele-Helfer-aber-weniger-Kroeten;art433648,8096390

  • Beinahe 80 Prozent der Gartenpflanzen auf dem europäischen Markt sind mit Pestiziden belastet, die schädlich für Bienen sind

    Beinahe 80 Prozent der Gartenpflanzen auf dem europäischen Markt sind mit Pestiziden belastet, die schädlich für Bienen sind

    Zu diesem Ergebnis kam eine Studie der Umweltorganisation Greenpeace, bei der 35 verschiedene Pflanzen in zehn Ländern analysiert worden sind. Der Greenpeace-Report „Giftiger Garten Eden – Eine Analyse der bienenschädlichen Pestizide in Gartenpflanzen auf dem europäischen Markt“ hat verschiedene bienenattraktive Pflanzenarten wie Veilchen, Lavendel und Primeln aus Gartenzentren, Baumärkten und Supermärkten untersucht. Nur zwei der 86 Proben waren frei von Chemikalien, der Rest wies einen regelrechten Cocktail an Pestiziden auf. 14 Prozent der europäischen Proben enthielten Pestizide ohne Zulassung in der EU. Unter den am stärksten belasteten Proben fand sich eine Probe aus Österreich aus der Gärtnerei Starkl mit 15 verschiedenen Pestiziden, davon sechs, die im österreichischen Zierpflanzenbau nicht zugelassen sind. Mehr als die Hälfte der Proben wiesen Neonicotinoide auf, die EU-weit teilweise verboten wurden und laut der Umweltorganisation als „inakzeptables Risiko für Bienen und andere Bestäuber gelten“. Die Produktion in Glashäusern ist vom Verbot allerdings ausgenommen. „Gartenfreunde werden ungewollt zu Mittätern gemacht“, kritisierte Huem Otero, Landwirtschaftssprecherin von Greenpeace.

    Zu diesem Ergebnis kam eine Studie der Umweltorganisation Greenpeace, bei der 35 verschiedene Pflanzen in zehn Ländern analysiert worden sind. Der Greenpeace-Report „Giftiger Garten Eden – Eine Analyse der bienenschädlichen Pestizide in Gartenpflanzen auf dem europäischen Markt“ hat verschiedene bienenattraktive Pflanzenarten wie Veilchen, Lavendel und Primeln aus Gartenzentren, Baumärkten und Supermärkten untersucht. Nur zwei der 86 Proben waren frei von Chemikalien, der Rest wies einen regelrechten Cocktail an Pestiziden auf. 14 Prozent der europäischen Proben enthielten Pestizide ohne Zulassung in der EU. Unter den am stärksten belasteten Proben fand sich eine Probe aus Österreich aus der Gärtnerei Starkl mit 15 verschiedenen Pestiziden, davon sechs, die im österreichischen Zierpflanzenbau nicht zugelassen sind. Mehr als die Hälfte der Proben wiesen Neonicotinoide auf, die EU-weit teilweise verboten wurden und laut der Umweltorganisation als „inakzeptables Risiko für Bienen und andere Bestäuber gelten“. Die Produktion in Glashäusern ist vom Verbot allerdings ausgenommen. „Gartenfreunde werden ungewollt zu Mittätern gemacht“, kritisierte Huem Otero, Landwirtschaftssprecherin von Greenpeace.

    „Es ist absurd, Pestizide im landwirtschaftlichen Bereich für bienenattraktive Pflanzen zu verbieten und sie im eigenen Blumenbeet wiederzufinden. Der Einsatz der Neonicotinoide bei Blumen, die zwar in Glashäusern gezogen, aber in Garten oder Balkon ausgesetzt werden, ist nicht im Sinne des EU-Teilverbots oder vermutlich illegal“, betonte Otero. Greenpeace forderte von den Gartenzentren, auf bienengefährdende Pestizide zu verzichten.

    Quelle: ORF, 24.04.2014
    http://oesterreich.orf.at/stories/2643571/

  • Barn owls in the UK suffer worst year on record in 2013

    Barn owls in the UK suffer worst year on record in 2013

    Barn owls (Tyto alba) suffered their worst year on record in 2013. Results from barn owl monitoring schemes around the UK revealed the number of sites where nesting took place last year was significantly down in every area compared to previous years, and some surveys found no nests with eggs in at all. Overall the number of occupied nests was down 71% on the average across all previous years, according to the Barn Owl Trust, which collated the information from 21 independent groups stretching from Jersey in the Channel Islands to south-west Scotland. A survey in Berkshire which normally finds 14 nests in use and a surveyor in Yorkshire who normally finds 25-30 occupied nests both found none at all, while surveys in Buckinghamshire and Sussex were both down more than 90% on normal levels. Conservationists described the situation as the “worst year ever recorded” for the flagship farmland species. Almost four times as many dead barn owls were reported to the British Trust for Ornithologyin March 2013 than normal and by mid-April it was possible that there were fewer barn owls alive in the UK than at any time since records began, the report said.

    Barn owls (Tyto alba) suffered their worst year on record in 2013. Results from barn owl monitoring schemes around the UK revealed the number of sites where nesting took place last year was significantly down in every area compared to previous years, and some surveys found no nests with eggs in at all. Overall the number of occupied nests was down 71% on the average across all previous years, according to the Barn Owl Trust, which collated the information from 21 independent groups stretching from Jersey in the Channel Islands to south-west Scotland. A survey in Berkshire which normally finds 14 nests in use and a surveyor in Yorkshire who normally finds 25-30 occupied nests both found none at all, while surveys in Buckinghamshire and Sussex were both down more than 90% on normal levels. Conservationists described the situation as the “worst year ever recorded” for the flagship farmland species. Almost four times as many dead barn owls were reported to the British Trust for Ornithologyin March 2013 than normal and by mid-April it was possible that there were fewer barn owls alive in the UK than at any time since records began, the report said.

    Source: The Guardian, 24 April 2014
    http://www.theguardian.com/environment/2014/apr/24/barn-owls-suffer-worst-year-on-record-2013

  • The use of systemic insecticides is incompatible with the principles of Integrated Pest Management (IPM)

    The use of systemic insecticides is incompatible with the principles of Integrated Pest Management (IPM)

    Integrated pest management programs (IPM) promote the use of multiple cultural, biological, and chemical tactics to reduce the abundance of pest insects, while conserving pollinators and beneficial insects. Much research has focused on the impact of systemic neonicotinyl insecticides on the colony health and foraging behavior of bees, but few papers considered these impacts on pollen and nectar-feeding beneficial insects, such as parasitoids, lacewings, lady beetles, and butterflies. Contact insecticides only contaminate pollen and nectar of flowers that are open at the time of spraying. In contrast, soil-applied neonicotinyl insecticides are translocated to pollen and nectar of flowers for a longer duration, often months. Neonicotinyl seed-treated crops (imidacloprid, 0.11 mg/canola seed and 0.625 mg/corn seed) translocate less than 10 ppb to nectar and pollen. However, higher rates of soil-applied imidacloprid are used in urban landscapes and nurseries (270-300 mg/3gallon pot, 67g imidacloprid applied to soil surface for 24 diam. tree), which should result in residues higher than the 10 ppb in nectar and pollen compared to seed-treated crops. This study shows that the translocation of imidacloprid from soil (300 mg) to flowers of Asclepias curassavica resulted in imidacloprid residue in nectar of 6,000 ppb for 1X and 10,000 ppb for 2X treatments. A second imidacloprid soil application 7 months after the first resulted in residues of 21,000 ppb in 1X and 45,000 ppb in 2X treatments. Consequently, landscape use of imidacloprid applied to flowering plants can result in 697 to 1,162 times more imidacloprid in milkweed nectar compared to a seed treatment, where most research has focused. These higher residue levels caused significant mortality in both 1Xand 2X treatments at day 12 in three lady beetle species, Coleomegilla maculata, Harmonia axyridis, and Hippodamia convergens, but not a fourth species, Coccinella septempunctata. Survival and fecundity of two nymphalid butterfly species, monarch, Danaus plexippus and painted lady, Vanessa cardui, were not reduced when free-ranging butterflies foraged on 1X and 2X treated milkweed plants or when butterflies were force-fed lower amounts of imidacloprid (0 ppb, 15 ppb, or 30 ppb imidacloprid). However, larval survival was significantly reduced on plants treated with soil-applied imidacloprid at1X and 2X treatments. Consequently, the use of systemic, neonicotinyl insecticides, such as imidacloprid, increased the insecticide’s duration in pollen and nectar, and increased the insecticide’s exposure to beneficial insects, thereby increasing the risk of mortality.

    Integrated pest management programs (IPM) promote the use of multiple cultural, biological, and chemical tactics to reduce the abundance of pest insects, while conserving pollinators and beneficial insects. Much research has focused on the impact of systemic neonicotinyl insecticides on the colony health and foraging behavior of bees, but few papers considered these impacts on pollen and nectar-feeding beneficial insects, such as parasitoids, lacewings, lady beetles, and butterflies. Contact insecticides only contaminate pollen and nectar of flowers that are open at the time of spraying. In contrast, soil-applied neonicotinyl insecticides are translocated to pollen and nectar of flowers for a longer duration, often months. Neonicotinyl seed-treated crops (imidacloprid, 0.11 mg/canola seed and 0.625 mg/corn seed) translocate less than 10 ppb to nectar and pollen. However, higher rates of soil-applied imidacloprid are used in urban landscapes and nurseries (270-300 mg/3gallon pot, 67g imidacloprid applied to soil surface for 24 diam. tree), which should result in residues higher than the 10 ppb in nectar and pollen compared to seed-treated crops. This study shows that the translocation of imidacloprid from soil (300 mg) to flowers of Asclepias curassavica resulted in imidacloprid residue in nectar of 6,000 ppb for 1X and 10,000 ppb for 2X treatments. A second imidacloprid soil application 7 months after the first resulted in residues of 21,000 ppb in 1X and 45,000 ppb in 2X treatments. Consequently, landscape use of imidacloprid applied to flowering plants can result in 697 to 1,162 times more imidacloprid in milkweed nectar compared to a seed treatment, where most research has focused. These higher residue levels caused significant mortality in both 1Xand 2X treatments at day 12 in three lady beetle species, Coleomegilla maculata, Harmonia axyridis, and Hippodamia convergens, but not a fourth species, Coccinella septempunctata. Survival and fecundity of two nymphalid butterfly species, monarch, Danaus plexippus and painted lady, Vanessa cardui, were not reduced when free-ranging butterflies foraged on 1X and 2X treated milkweed plants or when butterflies were force-fed lower amounts of imidacloprid (0 ppb, 15 ppb, or 30 ppb imidacloprid). However, larval survival was significantly reduced on plants treated with soil-applied imidacloprid at1X and 2X treatments. Consequently, the use of systemic, neonicotinyl insecticides, such as imidacloprid, increased the insecticide’s duration in pollen and nectar, and increased the insecticide’s exposure to beneficial insects, thereby increasing the risk of mortality.

    Source:
    Soil-applied imidacloprid is translocated to landscape flowers and reduced survival of adult
    Coleomegilla maculata, Harmonia axyridis, and Hippodamia convergens lady beetles, but not
    two species of butterflies
    To be submitted online to Plosone by March 31 2014
    Vera A. Krischik1, Mary Rogers2, Garima Gupta3, and Aruna Varshey4
    1 Department of Entomology, University of Minnesota,
    219 Hodson Hall, 1980 Folwell Ave., St. Paul, MN 55108 (corresponding author)
    2 Department of Horticultural Science, University of Minnesota,
    305 Alderman Hall, 1970 Folwell Ave., St. Paul, MN 55108
    3. Garima Gupta garima79@in.com need address
    4. arunaalok@gmail.com need address
    http://www.entomology.umn.edu/cues/pollinators/2013%20research%20in%20progress/2014%20Lady%20beetle%202014%20April%20plosone.pdf

  • Het gebruik van insecticiden in Vlaanderen wordt duur betaald met een catastrofale achteruitgang van insecten en insectivore soorten

    Het gebruik van insecticiden in Vlaanderen wordt duur betaald met een catastrofale achteruitgang van insecten en insectivore soorten

    Van de 1996 soorten op de gevalideerde Rode Lijsten, zijn 139 soorten de laatste 100 jaar uit Vlaanderen verdwenen. Van de overige geëvalueerde 1857 soorten zijn ongeveer één vierde Rode Lijstsoorten. Ze zijn sterk achteruit gegaan en/of hebben een kritisch niveau bereikt waardoor de soort op het punt staat te verdwijnen uit Vlaanderen. Uit de recente Rode Lijst van de dagvlinders in Vlaanderen blijkt dat 66 % van alle soorten dagvlinders die sinds het begin van de vorige eeuw in Vlaanderen voorkwamen in gevaar of uitgestorven zijn. In 2012 werden twee nieuwe Rode Lijsten opgesteld nl. de Rode Lijst amfibieën en reptielen en de Rode Lijst zoetwatervissen. In totaal is de helft van alle soorten amfibieën en reptielen in gevaar en/of uitgestorven. In de nieuwe Rode Lijst zoetwatervissen wordt 62 % van de zoetwatervissen in Vlaanderen als bedreigd of uitgestorven beschouwd.

    Van de 1996 soorten op de gevalideerde Rode Lijsten, zijn 139 soorten de laatste 100 jaar uit Vlaanderen verdwenen. Van de overige geëvalueerde 1857 soorten zijn ongeveer één vierde Rode Lijstsoorten. Ze zijn sterk achteruit gegaan en/of hebben een kritisch niveau bereikt waardoor de soort op het punt staat te verdwijnen uit Vlaanderen. Uit de recente Rode Lijst van de dagvlinders in Vlaanderen blijkt dat 66 % van alle soorten dagvlinders die sinds het begin van de vorige eeuw in Vlaanderen voorkwamen in gevaar of uitgestorven zijn. In 2012 werden twee nieuwe Rode Lijsten opgesteld nl. de Rode Lijst amfibieën en reptielen en de Rode Lijst zoetwatervissen. In totaal is de helft van alle soorten amfibieën en reptielen in gevaar en/of uitgestorven. In de nieuwe Rode Lijst zoetwatervissen wordt 62 % van de zoetwatervissen in Vlaanderen als bedreigd of uitgestorven beschouwd.

    Bron: Demolder H. & Peymen, J. (2013). Natuurindicatoren 2013. Toestand van de natuur
    in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek,
    INBO.M. 2013.1, Brussel

  • RIVM stelt voor om de waterkwaliteitsnorm voor het bestrijdingsmiddel imidacloprid te verlagen

    RIVM stelt voor om de waterkwaliteitsnorm voor het bestrijdingsmiddel imidacloprid te verlagen

    Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) stelt voor om de waterkwaliteitsnorm voor het bestrijdingsmiddel imidacloprid te verlagen. Uit nieuwe onderzoeken blijkt dat de schadelijke effecten van imidacloprid op waterorganismen zich al bij lagere concentraties voordoen dan verwacht. Vooral eendagsvliegen zijn volgens RIVM zeer gevoelig zijn voor het middel dat tot de groep van de neonicotinoïden behoort. Deze insecten leggen eitjes in oppervlaktewater. Imidacloprid wordt veel aangetroffen in oppervlaktewater. Sinds de huidige normen voor oppervlaktewater in 2008 zijn vastgesteld, zijn er veel nieuwe studies gepubliceerd naar de effecten van imidacloprid op organismen in water. Het RIVM heeft daarom de beschikbare gegevens geëvalueerd en concludeert dat de norm voor lange-termijn blootstelling moet worden verlaagd van 67 naar 8,3 nanogram per liter oppervlaktewater. Voor kortdurende piekblootstelling blijft 0,2 microgram de norm. In januari 2014 heeft het Ctgb extra beperkingen opgelegd aan het gebruik van imidacloprid. Het afvalwater uit kassen moet worden gezuiverd en bij de bespuiting van gewassen in het veld moet worden voorkomen dat het insecticide overwaait naar het nabij gelegen water. Door deze maatregelen komt er minder imidacloprid in het oppervlaktewater terecht. Dit vergroot de kans dat de nieuwe normen haalbaar zijn, aldus RIVM. In een reactie schrijft de toxicoloog Henk Tennekes dat het RIVM rapport algemeen gebruikelijke normen van wetenschapsrapportage buiten werking zet door het werk van Sánchez-Bayo en Tennekes (bijlage) niet te citeren. Sánchez-Bayo en Tennekes hebben 5 jaar geleden al aangetoond dat de chronische toxiciteit van imidacloprid voor waterorganismen ernstig is onderschat, aldus Tennekes.

    Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) stelt voor om de waterkwaliteitsnorm voor het bestrijdingsmiddel imidacloprid te verlagen. Uit nieuwe onderzoeken blijkt dat de schadelijke effecten van imidacloprid op waterorganismen zich al bij lagere concentraties voordoen dan verwacht. Vooral eendagsvliegen zijn volgens RIVM zeer gevoelig zijn voor het middel dat tot de groep van de neonicotinoïden behoort. Deze insecten leggen eitjes in oppervlaktewater. Imidacloprid wordt veel aangetroffen in oppervlaktewater. Sinds de huidige normen voor oppervlaktewater in 2008 zijn vastgesteld, zijn er veel nieuwe studies gepubliceerd naar de effecten van imidacloprid op organismen in water. Het RIVM heeft daarom de beschikbare gegevens geëvalueerd en concludeert dat de norm voor lange-termijn blootstelling moet worden verlaagd van 67 naar 8,3 nanogram per liter oppervlaktewater. Voor kortdurende piekblootstelling blijft 0,2 microgram de norm. In januari 2014 heeft het Ctgb extra beperkingen opgelegd aan het gebruik van imidacloprid. Het afvalwater uit kassen moet worden gezuiverd en bij de bespuiting van gewassen in het veld moet worden voorkomen dat het insecticide overwaait naar het nabij gelegen water. Door deze maatregelen komt er minder imidacloprid in het oppervlaktewater terecht. Dit vergroot de kans dat de nieuwe normen haalbaar zijn, aldus RIVM. In een reactie schrijft de toxicoloog Henk Tennekes dat het RIVM rapport algemeen gebruikelijke normen van wetenschapsrapportage buiten werking zet door het werk van Sánchez-Bayo en Tennekes (bijlage) niet te citeren. Sánchez-Bayo en Tennekes hebben 5 jaar geleden al aangetoond dat de chronische toxiciteit van imidacloprid voor waterorganismen ernstig is onderschat, aldus Tennekes.

    Bron: Nieuwe Oogst, 24 april 2014
    http://www.nieuweoogst.nu/scripts/edoris/edoris.dll?tem=LTO_TEXT_VIEW&doc_id=197730#.U1otc2fNtkc