Auteur: Henk Tennekes

  • De teloorgang van weidevogels in het Overijsselse boerenland

    De teloorgang van weidevogels in het Overijsselse boerenland

    Ondanks de inspanningen die de provincie Overijssel heeft gedaan blijkt uit tellingen in de polders en open gebieden dat de weidevogel het moeilijk heeft. Vooral voor de Grutto Limosa limosa is de situatie zorgwekkend. ‘Het aantal is in de afgelopen 15 jaar met tweederde afgenomen’, meldt de provincie.

    Ondanks de inspanningen die de provincie Overijssel heeft gedaan blijkt uit tellingen in de polders en open gebieden dat de weidevogel het moeilijk heeft. Vooral voor de Grutto Limosa limosa is de situatie zorgwekkend. ‘Het aantal is in de afgelopen 15 jaar met tweederde afgenomen’, meldt de provincie.

    Weidevogels nemen in het provinciaal natuurbeleid een belangrijke plaats in. Om ze te beschermen worden met boeren beheersovereenkomsten gesloten, wordt betaald voor later maaien en wordt nestbescherming door vrijwilligers gestimuleerd.

    In het voorjaar geven weidevogels extra kleur en geluid aan de open gebieden in Overijssel, vooral in de polders. Belangrijke soorten zijn onder ander de Grutto Limosa limosa, Kievit Vanellus vanellus, Tureluur Tringa totanus, Scholekster Haematopus ostralegus, Wulp Numenius arquata en daarnaast diverse kleinere zangvogels en eenden.

    In Overijssel zijn relatief weinig weidevogelreservaten. Daarom zijn weidevogels grotendeels afhankelijk van het boerenland. Ze broeden er op de grond en de jongen worden vooral groot door het eten van insecten. Ze zijn geheel afhankelijk van wat boeren op hun land doen in het kader van hun bedrijfsvoering. Het scheuren van grasland, mesten, voorbeweiden, beweiden, maaien of hooien kunnen alle van invloed zijn. Vooral de maaidata zijn cruciaal.

    Het provinciale weidevogelmeetnet meet sinds 1994 het aantal weidevogels in Overijssel. Om het jaar worden de vogels geteld op 49 locaties in polders en andere open gebieden binnen de provincie. De aantallen broedende vogels worden dan bepaald door gebieden vijf keer te bezoeken vanaf half maart tot eind juni.

    Op grond van gedrag worden vogels tijdens het veldwerk op kaarten ingetekend en aantallen bepaald op basis van al deze bezoeken. Het door het veld lopen om nesten te zoeken (met de kans op verstoring) vindt voor het meetnet niet plaats.

    In de afgelopen 15 jaar is de Wulp en de Graspieper niet of nauwelijks achteruit gegaan. Graspiepers broeden meestal langs slootkanten, die vaak pas bij de tweede snede in juni worden gemaaid. Wulpen kunnen oud worden en zijn daardoor minder gevoelig voor jaren waar weinig kuikens groot worden.

    Minder goed gaat het met de Kievit en de Tureluur waarvan het aantal in de afgelopen jaren met 2% is afgenomen. De Kievit heeft ingespeeld op de toename van maïsland. Bij de Tureluur is de overleving van kuikens relatief groot. Kuikens van de Tureluur gaan vaak naar beweide percelen waardoor minder sterfte is door het maaien.

    Zorgwekkend is de situatie voor Scholekster, Veldleeuwerik Alauda arvensis en Grutto. Van deze soorten is in 15 jaar tijd meer dan 60% van de populatie verdwenen. De Grutto, de belangrijke doelsoort van het provinciaal weidevogelbeleid, spant de kroon met een achteruitgang van 68% In veel gebieden is de soort zelfs geheel verdwenen. De achteruitgang komt omdat er jaarlijks meer volwassen dieren sterven dan er jonge dieren bijkomen.

    Dit komt door vroeg uitmaaien, opeten van de jongen door andere dieren (predatie) en het ontbreken van kruidenrijk hooiland. Eind mei 2009 liep nog slechts 25% van de paartjes met kuikens rond, terwijl dit 60% zou moeten zijn om de soort in stand te houden. Behoud van de Grutto is alleen mogelijk als er op het boerenland naast bescherming veel meer en beter kuikenland komt waar kuikens voedsel kunnen verzamelen. Verder is uitbreiding van plas-dras plekken en een normale predatie van belang.

    Een bijzonder lichtpuntje is de toename van de Roodborsttapuit Saxicola torquatus. In het meetnet nam het aantal paartjes toe van geen enkel paartje voor 2005 naar 17 paartjes op acht van de 49 onderzochte locaties in 2009. Deze bijzondere soort kwam recent vooral voor op heidevelden en hoogvenen.

    Het lijkt er op dat de populaties in deze natuurgebieden het zo goed doen dat jonge vogels zich vestigen in het boerenland. Vestigingen vinden vooral plaats in weidegebieden die grenzen aan natuurgebieden. Ze zijn verhoudingsgewijs kleinschalig met in de greppels tussen de percelen ruigte en opslag van struiken.

    Weidevogels nemen binnen het provinciale natuurbeleid al jarenlang een belangrijke plaats in. De provincie voert haar weidevogelbeleid via verschillende sporen. Het gaat daarbij om beheersovereenkomsten met boeren in het kader van het programma beheer, het Koploperproject (er wordt betaald voor bijvoorbeeld later maaien) en het stimuleren van nestbescherming door vrijwilligers via Landschap Overijssel.

    Daarnaast zijn in het provinciaal beleid weidevogelkerngebieden apart aangeduid om ze duurzaam te beschermen. Als er toch ingrepen plaats vinden moet het weidevogelverlies worden gecompenseerd. Om een indruk te geven van het belang van de weidevogel: in 2008 is 1,5 miljoen euro besteed aan bescherming van weidevogels (een kwart door de provincie zelf).

    Om de achteruitgang van de weidevogels te stoppen zijn de afgelopen jaren pilots uitgevoerd in de polder Mastenbroek en het Lierderbroek. Via een planmatige aanpak is hier meer kuikenland gerealiseerd dan in de rest van Overijssel. Daardoor neemt het aantal vliegvlugge jongen van de Grutto weer wat toe in beide gebieden. Vanaf 1 januari 2010 gaat deze aanpak in heel Overijssel gelden.

    Bron: Blikopnieuws.nl, 14 oktober 2009
    http://www.blikopnieuws.nl/bericht/103983/Grutto_heeft_het_zwaar_in_Overijsselse_boerenland.html

  • ‘Hervorm landbouwbeleid voor behoud vogelsoorten’

    ‘Hervorm landbouwbeleid voor behoud vogelsoorten’

    Het EU-landbouwbeleid moet radicaal om, om de alarmerende daling van het aantal vogels op het platteland een halt toe te toeroepen. Dat meldt een nieuwe studie van de Europese Raad voor Vogeltelling (EBCC). Volgens dat onderzoek is de populatie van 33 soorten vogels op boerenland tussen 1980 en 2005 over heel Europa met 44 procent gedaald. De EBCC wijt dat aan intensieve landbouwmethoden, die bevorderd zouden worden door het EU-landbouwbeleid.

    Het EU-landbouwbeleid moet radicaal om, om de alarmerende daling van het aantal vogels op het platteland een halt toe te toeroepen. Dat meldt een nieuwe studie van de Europese Raad voor Vogeltelling (EBCC). Volgens dat onderzoek is de populatie van 33 soorten vogels op boerenland tussen 1980 en 2005 over heel Europa met 44 procent gedaald. De EBCC wijt dat aan intensieve landbouwmethoden, die bevorderd zouden worden door het EU-landbouwbeleid. Het gaat onder meer om de grijze patrijs Perdix perdix, de grauwe gors Miliaria calandra, tortelduif Streptopelia turtur en de kievit Vanellus vanellus.

    Bron: Agrarisch Dagblad, 07 juni 2007
    http://www.agd.nl/1029732/Nieuws/Artikel/Hervorm-landbouwbeleid-voor-behoud-vogelsoorten.htm

  • Het gaat bar slecht met de spreeuw in Nederland

    Het gaat bar slecht met de spreeuw in Nederland

    Het gaat bar slecht met de spreeuw Sturnus vulgaris in Nederland. Het aantal dieren holt sinds de jaren negentig van de vorige eeuw achteruit.

    Belangrijkste oorzaak is vermoedelijk de afname van sappige weilanden, de voornaamste voedselbron voor de vogel.

    SOVON Vogelonderzoek uit Beek bij Nijmegen luidde in juli 2009 de noodklok voor de spreeuw. “Het doodnormale straatschoffie”, zoals de organisatie de zwartgespikkelde vogel noemt, was in ons land net zo bekend en algemeen voorkomend als de huismus. De mussenstand loopt al dertig jaar terug en nu gaan de spreeuwen dat algemeen bekende vogeltje achterna.

    Het gaat bar slecht met de spreeuw Sturnus vulgaris in Nederland. Het aantal dieren holt sinds de jaren negentig van de vorige eeuw achteruit.

    Belangrijkste oorzaak is vermoedelijk de afname van sappige weilanden, de voornaamste voedselbron voor de vogel.

    SOVON Vogelonderzoek uit Beek bij Nijmegen luidde in juli 2009 de noodklok voor de spreeuw. “Het doodnormale straatschoffie”, zoals de organisatie de zwartgespikkelde vogel noemt, was in ons land net zo bekend en algemeen voorkomend als de huismus. De mussenstand loopt al dertig jaar terug en nu gaan de spreeuwen dat algemeen bekende vogeltje achterna.

    Bron: Agrarisch Dagblad, 21 juli 2009
    http://www.agd.nl/1080626/Nieuws/Artikel/Het-gaat-niet-goed-met-de-spreeuw.htm

  • Akkervogels verdwijnen door intensivering van de landbouw

    Akkervogels verdwijnen door intensivering van de landbouw

    Intensivering van de landbouw heeft op Europese schaal geleid tot een afname van populaties van vogelsoorten die met landbouw geassocieerd zijn. Dit geldt zowel voor akkervogels als voor weidevogels. In de literatuur zijn de volgende componenten van intensivering met een negatief effect op akkervogels beschreven: 1. Een toename van het gebruik van meststoffen en pesticiden (eenvormige gewascultuur en minder insecten). 2. Het slechten van heggen, houtwallen, greppels en andere landschapselementen (gereduceerde habitat). 3. Vervanging van zomergranen door wintergranen en mais (afname aanbod graanstoppels in najaar en winter). 4. Ontmenging van akkerbouw en veeteelt, schaalvergroting en uniformering (minder gevarieerd aanbod aan habitats).

    Intensivering van de landbouw heeft op Europese schaal geleid tot een afname van populaties van vogelsoorten die met landbouw geassocieerd zijn. Dit geldt zowel voor akkervogels als voor weidevogels. In de literatuur zijn de volgende componenten van intensivering met een negatief effect op akkervogels beschreven: 1. Een toename van het gebruik van meststoffen en pesticiden (eenvormige gewascultuur en minder insecten). 2. Het slechten van heggen, houtwallen, greppels en andere landschapselementen (gereduceerde habitat). 3. Vervanging van zomergranen door wintergranen en mais (afname aanbod graanstoppels in najaar en winter). 4. Ontmenging van akkerbouw en veeteelt, schaalvergroting en uniformering (minder gevarieerd aanbod aan habitats).

    Bron: Jules Bos & Jaap Schröder. Akkervogels en landbouw: ecologie, maatregelen en beleid. Plant Research International, Wageningen UR, Rapport 249
    http://edepot.wur.nl/5376

  • Grauwe kiekendief van de ondergang gered

    Agrarisch natuurbeheer op perceelsniveau heeft niet zo veel zin. Je kunt het volgens Alterra-onderzoeker Paul Opdam beter op landschapsniveau toepassen. Het werk van Ben Koks van de Rijksuniversiteit Groningen en Sovon Vogel-onderzoek Nederland lijkt dat te bevestigen. In Oost-Groningen is mede dankzij zijn werk de grauwe kiekendief Circus pygargus van de ondergang gered.

    Agrarisch natuurbeheer op perceelsniveau heeft niet zo veel zin. Je kunt het volgens Alterra-onderzoeker Paul Opdam beter op landschapsniveau toepassen. Het werk van Ben Koks van de Rijksuniversiteit Groningen en Sovon Vogel-onderzoek Nederland lijkt dat te bevestigen. In Oost-Groningen is mede dankzij zijn werk de grauwe kiekendief Circus pygargus van de ondergang gered.

    Lees het artikel in Boomblad, Oktober 2003:
    http://www.boomblad.nl/img/pdf/inditnummer/bb_artikel116.pdf

  • De Boerenzwaluw: slachtoffer van een smetteloos platteland

    De Boerenzwaluw: slachtoffer van een smetteloos platteland

    Al een aantal jaren heerst er in vogelminnend Nederland bezorgdheid over het teruglopend aantal zwaluwen, met name waar het de broedparen van Gierzwaluw Apus apus, Huiszwaluw Delichon urbicum en Oeverzwaluw Riparia riparia betreft. Over de Boerenzwaluw Hirundo rustica maakten we ons tot nu toe eigenlijk niet zoveel zorgen. Ten onrechte, want de moderne agrarische bedrijfsvoering laat nog maar weinig ruimte voor Hirondo rustica.

    Al een aantal jaren heerst er in vogelminnend Nederland bezorgdheid over het teruglopend aantal zwaluwen, met name waar het de broedparen van Gierzwaluw Apus apus, Huiszwaluw Delichon urbicum en Oeverzwaluw Riparia riparia betreft. Over de Boerenzwaluw Hirundo rustica maakten we ons tot nu toe eigenlijk niet zoveel zorgen. Ten onrechte, want de moderne agrarische bedrijfsvoering laat nog maar weinig ruimte voor Hirondo rustica.

    In deze tijd van het jaar, het voorjaar, wordt door mij, en met mij door vele anderen, uitgekeken naar de voorjaarsbode bij uitstek: de eerste zwaluw. Bijna altijd gaat het dan om een Boerenzwaluw (Hirondo rustica), want die meldt zich doorgaans het vroegst. Soms eind maart, meestal begin april. Maar hoeveel lentes zullen nog beginnen met de terugkeer van boerenzwa­luwen? Want de Boerenzwaluw is de afgelopen decennia fors in aantal achteruitgegaan. Onderzoek heeft uitgewezen dat tussen 1970 en 1990 de broedpopulatie in de meeste landen in West en Centraal Europa met twintig tot vijftig procent is verminderd. Voor Duitsland en Nederland is in deze periode de stand gehalveerd. En gezien de ontwikkelingen op het platteland ligt een verdere achteruitgang voor de hand.

    Woningnood en voedselgebrek
    Gierzwaluw, Huiszwaluw en Oeverzwaluw, dat zijn de soorten waar men zich in Nederland meestal zorgen over maakt. Hun broedplaatsen verdwijnen immers in rap tempo. Gierzwaluwen raken ontheemd doordat invliegopeningen in oude gebouwen in de binnensteden worden afgesloten. Huiszwaluwen raken hun nest kwijt doordat niet iedereen hun uitwerpselen op prijs stelt, of omdat het nest bij een verfbeurt moet wijken. En oeverzwaluwen gebruiken vaak taluds van zandafgravingen, die meestal slechts tijdelijk geschikt zijn.

    Veel beschermingsmaatregelen zijn dan ook gericht op het instandhouden van hun broedmogelijkheden: vogelwerkgroepen steken taluds af, brengen ‘gierzwaluwpannen’ aan of plaatsen plankjes onder vervuilende nesten.

    Maar voor de Boerenzwaluw is de situatie niet veel beter, al maakten we ons tot voor kort over hem eigenlijk weinig zorgen. Door zijn voorkeur voor het broeden in open schuren en dergelijke weet hij doorgaans snel een plekje te vinden. Bovendien komen boerenzwaluwen elk jaar naar dezelfde plek terug en maken ze vaak weer gebruik van het oude nest. Toch maakte Voous, in zijn ‘Atlas van de Europese Vogels’, in 1960 reeds gewag van teruglopende aantallen als gevolg van de toenemende hygiëne op de boerderijen. Deze verschuiving naar een ‘schoner’ boerenerf heeft zich in de daarop­volgende decennia onverminderd voortgezet, en werd nog versterkt door het geleide­lijk verdwijnen van het gemengd bedrijf, dat plaats maakte voor specifieke akkerbouw dan wel veeteeltbedrijven. Met als resultaat een geringer voedselaanbod, maar ook steeds minder broedmogelijkheden voor de Boerenzwaluw.

    Binnenbroeder
    De Boerenzwaluw heeft zich, nog meer dan de Huiszwaluw, voor zijn broedplaats sterk aan onze nederzettingen gebonden: hij broedt vrijwel uitsluitend in bouwwerken van de mens. Daarbij heeft hij een voorkeur voor schemerdonkere en beschutte plaatsen. Zijn belangrijkste belagers, kerkuilen en eksters, hebben een hekel aan kleine ruimtes: daar kunnen ze hun vleugels niet goed uitslaan. In grotere ruimten, zoals de nu gebruikelijke open ligboxenstallen, is dat geen probleem, met als gevolg dat de zwaluw een gemakkelijke prooi wordt. Helaas voor de Boerenzwaluw worden andere gebouwen op het boerenerf tegenwoordig onder andere uit oogpunt van hygiëne zo veel mogelijk afgesloten. Een openstaande deur of een open raampje is er niet meer bij. Daar komt nog bij dat de meeste hedendaagse bouwmaterialen weinig ‘houvast’ bieden voor een nest.

    Een nest gemaakt van aarde, vermengd met speeksel, strootjes, haren en veren hecht nu eenmaal beter aan een houten spant dan aan een ijzeren balk. Dat is ook één van de redenen waardoor de vroeger zo geliefkoosde bruggetjes als broedplaats zijn afgevallen. Veel houten bruggetjes zijn verdwenen, om plaats te maken voor nieuwe, met metalen leggers. Of ze werden eenvoudig vervangen door een duiker. Dat biedt natuurlijk helemaal geen soelaas broedplaats, en bovendien is daarmee in landschappelijk opzicht niet alleen voor de mens maar ook voor de Boerenzwaluw een ‘herkenningspunt’ verdwenen.

    Verder is ook steeds minder geschikt nestmateriaal voor handen, want modderige plaatsen treft men thans rondom de boerderij veel minder aan dan vroeger. Modderslootjes zijn verdwenen; drinkputten in onbruik geraakt. Vooral in een droog voorjaar kan dit een behoorlijke handicap zijn. Ook in ander opzicht zorgt de toenemende hygiëne er voor dat de Boerenzwaluw het steeds moeilijker krijgt. Eén van de rede­nen waarom veehouderijbedrijven meer in trek zijn bij zwaluwen dan akkerbouwbe­drijven is het voedselaanbod: dieren trekken immers veel insecten aan. Op een bedrijf met open loopstallen wordt door het vee ook nog eens de nodige stalmest geproduceerd die, uitgereden op een open mestvaalt, een grote aantrekkingskracht heeft op vliegen. Maar in de moderne ligboxenstallen verdwijnen gier en mest in een afgesloten drijfmestkelder, waarmee een belangrijke voedselbron voor vliegen onbereikbaar wordt. Zodat vervolgens ook de zwaluw zonder eten komt te zitten…

    Hygiëne
    De afname van de Boerenzwaluw als broedvogel in Nederland is dus in gang gezet door veranderingen in de agrarische bedrijfsvoering, in combinatie met een toe­nemende zorg voor hygiëne rondom de boerderij. Thans komen daar nog de maatregelen bij die nodig geacht worden voor een schone en veilige melkproductie, én de angst dat vogels mogelijk besmettelijke ziekten overbrengen. Dit laatste deed zich vooral gelden tijdens de mond en klauwzeerepidemie van 2001.

    Wie herinnert zich niet de uitgebreide ontsmettingsmaatregelen die toen voor mens en dier van kracht waren bij het betreden van een boerderij? Toch achten virologen de kans dat een Boerenzwaluw een ziektekiem overbrengt zeer klein. Ze vangen insecten uit de lucht en komen tijdens het zitten doorgaans niet met mogelijk besmette plaatsen in aanraking. Bovendien blijft de vogel in de omgeving van de ‘eigen’ boerderij. Meeuwen, bijvoorbeeld, vormen in dat opzicht een groter risico.

    In het kader van de zorg voor veilig en schoon geproduceerde melk is een keur­merk ingevoerd dat die kwaliteit moet garanderen, het zogenaamde KMK-keurmerk. Daarvoor worden strenge eisen gesteld aan het melktanklokaal, de plaats waar de melk bewaard wordt in afwachting van het vervoer naar de zuivelfabriek. Bedrijven die zich niet aan de richtlijnen houden lopen het risico minder voor hun geleverde melk te ontvangen. Volgens de KMK-richtlijnen worden dieren, dus ook broedende boerenzwaluwen, niet in het melklokaal getolereerd. Nu zijn strenge eisen om de voedselveiligheid te waarborgen wel begrijpelijk, maar deze maatregel ‘lijkt overbodig, want de melk wordt volledig afgesloten van de buitenwereld bewaard in grote tanks. Bovendien wordt, om alle risico’s uit te sluiten, de melk in de fabriek ook nog eens gepasteuriseerd of gesteriliseerd.

    Toch nog kansen
    Alle genoemde ontwikkelingen hebben er toe bijgedragen dat de Boerenzwaluw in de afgelopen decennia als broedvogel fors is achteruitgegaan. Een verdere achteruitgang ligt voor de hand gezien de bijkomende effecten als gevolg van de discussie over dierziekten en voedselveiligheid. Tijd dus om deze negatieve trend om te buigen. Een manier is om met name veeboeren te wijzen op de nadelen van de huidige wijze van bedrijfsvoering, en daarnaast suggesties te geven hoe men, met instandhouding van het KMK-keurmerk, toch de Boerenzwaluw een kans kan geven. Een brochure hierover is in de maak. Daarbij moet ook gewezen worden op zijn uiter­mate nuttige functie als biologische bestrijder bij uitstek. In één seizoen worden meer dan een half miljoen vliegen en muggen gegeten. De enige negatieve factor is de vervuiling met uitwerpselen, veroorzaakt door de jonge vogels gedurende de laatste week voor het uitvliegen, direct rondom het nest.

    Maar gezien zijn belangrijke taak als insectenbestrijder moet men die rommel eigenlijk maar voor lief nemen, of de moeite nemen een plankje onder het nest te plaatsen. Hoopvol is dat in de huidige opvattingen over de rol van de agrariër in het landelijk gebied er meer oog is voor aspecten die met landschap en natuur te maken hebben. Het begrip ‘agrarisch natuurbeheer’ krijgt steeds meer aanhang. Sommige boeren beschikken over een ‘natuurbedrijfsplan’, waarbij wordt bekeken op welke wijze natuur en landschap op het bedrijf en rondom de gebouwen versterkt kunnen worden. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de wijze waarop de Boeren, maar ook de Huiszwaluw, zijn nuttige functie als biologische bestrijder van insecten waar kan maken. Een wat meer begripvolle benadering voor deze ‘voorjaarsbodes’ mag dan ook verwacht worden.

    Auteur: Wim de Wilde
    In: Nieuws Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging en Stichting Landschapsbeheer Zeeland
    http://people.zeelandnet.nl/bkorteknie/nieuws%20knnv%20slz.htm

    Wim de Wilde is beleidsmedewerker Natuur & Landschap bij de provincie Zeeland. Als lid van de Vogelwerkgroep van de KNNV-afdeling Beveland houdt hij zich al een aantaljaar bezig met het inventariseren van met name huiszwaluwen in ’s Gravenpolder.

    Lees ook:
    http://www.natuurpunt.be/uploads/biodiversiteit/vogels/documenten/pag_1544_hyginemaatregelen_boerenzwaluw.pdf
    http://www.vogelbescherming.be/site/index.php?option=com_content&view=article&id=263:boerenzwaluw-is-vogel-van-het-jaar-2009&catid=14:persberichten&Itemid=105

    Het gaat ook niet goed met de boerenzwaluw in Vlaanderen. De populatie wordt nu geschat op 20 à 30.000 broedparen tegenover 200 à 300.000 in het begin van de jaren zeventig. Het gebruik van insecticiden is één van de redenen voor de steile achteruitgang van het aantal broedende boerenzwaluwen in Vlaanderen. Boerenzwaluwen zijn voor hun voeding en het grootbrengen van hun jongen immers volledig aangewezen op insecten.
    Bron:
    http://www.rlsd.be/projecten/zwaluwproject/zwaluw_whats_in_a_name/boerenzwaluw

  • 1 op de 3 Belgische vogels met uitsterven bedreigd

    1 op de 3 Belgische vogels met uitsterven bedreigd

    In Europa wordt bijna de helft van de 524 vogelsoorten bedreigd met uitsterven. Vooral in mediterrane landen als Spanje en Turkije staan ze onder zware druk. In België moet 1 op de 3 vogels vechten voor zijn leven. De oorzaken liggen bij de landbouw en de veranderende leefgewoontes.

    In Europa wordt bijna de helft van de 524 vogelsoorten bedreigd met uitsterven. Vooral in mediterrane landen als Spanje en Turkije staan ze onder zware druk. In België moet 1 op de 3 vogels vechten voor zijn leven. De oorzaken liggen bij de landbouw en de veranderende leefgewoontes.

    Van de 524 Europese vogelsoorten worden er 226 bedreigd, schrijft de studie Birds in Europe . Tien jaar geleden waren er dat nog 45 minder. Onder druk staan zowel zeldzame soorten uit een afgebakende regio als de overal voorkomende vogels. In mediterrane landen als Spanje en Turkije wordt vijftig procent van de soorten bedreigd. Dat dat aantal in veel West-Europese landen lager ligt, komt omdat er al veel soorten verdwenen zijn. In België staat 34 procent van de 183 soorten onder druk. ,,De mens neemt steeds meer ruimte in”, zegt Wim van den Bossche, internationaal medewerker van Natuurpunt. ,,België wordt voortdurend schoner en efficiënter ingericht. Dat gaat ten koste van de vogels.”

    Vooral weidevogels als de grutto Limosa limosa en de kievit Vanellus vanellus merken de gevolgen. De afgelopen decennia leden de dieren onder ruilverkaveling en schaalvergroting, nu is het vooral wetgeving die hen nekt. ,,De hygiëne in de landbouw moet tegenwoordig optimaal zijn”, zegt Van den Bossche. ,,Als een controleur ook maar één zwaluw in een stal vindt, mag de boer gaan solliciteren. Vanzelfsprekend maakt de boer het de vogels dus niet aangenaam.” Bovendien subsidieert de Europese Unie boeren die hun vee in de stal zetten omdat de boeren de mest evenwichtiger over het land verdelen dan de koeien zelf. Dat verlaagt de ammoniakvervuiling. En indirect de vogelpopulatie.”

    De ringmus Passer montanus, waarvan er nu tussen de 15.000 en 30.000 in België leven, verloor de afgelopen tien jaar 70 procent van zijn familie. De grauwe gors Miliaria calandra werd gehalveerd tot 4.000 stuks. Merkwaardig is dat ook traditionele Belgische vogels als de spreeuw Sturnus vulgaris en de huismus Passer domesticus, als bedreigd staan genoteerd. Hun aantal daalt omdat in het volgepakte België hun leefruimte slinkt. ,,Bovendien moet alles proper zijn”, zegt Van den Bossche. ,,Wie zijn huis renoveert, stopt alle holletjes dicht. Elk tuintje is aangeharkt. Dat maakt het voor de vogels, die ook al vechten tegen ongemakken als katten en luchtvervuiling, niet aangenamer.”

    Gevolg is dat steeds meer vogels uitsterven. Rond 2010 wil de Europese Unie de daling van de biodiversiteit stoppen, maar dat wordt moeilijk, denkt Van den Bossche. ,,De mens gebruikt zowel land, zee, als lucht, ongeacht wat er leeft. Toch zijn sommige vogelsoorten een goede indicatie voor de leefbaarheid. We gebruiken dezelfde lucht, hetzelfde water. We leven op dezelfde aarde.”

    Bron: Het Nieuwsblad 09/11/2004
    http://www.nieuwsblad.be/Article/Detail.aspx?articleID=g6na3ktm