Auteur: Henk Tennekes

  • De goudvink weet zich redelijk goed te handhaven als broedvogel in Nederland

    De goudvink weet zich redelijk goed te handhaven als broedvogel in Nederland

    De goudvink (Pyrrhula pyrrhula) is in Nederland een vrij algemene broedvogel van de zandgronden waarop naaldbos staat. De soort broedt ook in de duinen. Op de Waddeneilanden komt hij als broedvogel nauwelijks voor. Het voedsel bestaat uit zaden, pitten en knoppen. Ook wel insecten en larven. In het najaar veel bessen (lijsterbes en braambes). De goudvink wordt door fruitkwekers wel als schadelijk beschouwd, omdat hij zich soms voedt met bloem- en bladknoppen van fruitbomen. In de periode 1979-1985 bedroeg het aantal broedparen circa 17500 paar. De goudvink breidde zijn areaal binnen Nederland gedeeltelijk uit, bijvoorbeeld naar de bossen in Flevoland. Op sommige plaatsen was er ook een sterke achteruitgang. Volgens SOVON bleef in de periode 1990-2007 het aantal broedparen vrij constant. Rond 2007 broedden er nog ongeveer 8000 paar in Nederland. Vlaanderen behoort tot de streken waar het minder goed gaat met de goudvink,de soort staat daar op de Vlaamse rode lijst als bedreigd. De goudvink staat als niet bedreigd op de internationale rode lijst van de IUCN.

    De goudvink (Pyrrhula pyrrhula) is in Nederland een vrij algemene broedvogel van de zandgronden waarop naaldbos staat. De soort broedt ook in de duinen. Op de Waddeneilanden komt hij als broedvogel nauwelijks voor. Het voedsel bestaat uit zaden, pitten en knoppen. Ook wel insecten en larven. In het najaar veel bessen (lijsterbes en braambes). De goudvink wordt door fruitkwekers wel als schadelijk beschouwd, omdat hij zich soms voedt met bloem- en bladknoppen van fruitbomen. In de periode 1979-1985 bedroeg het aantal broedparen circa 17500 paar. De goudvink breidde zijn areaal binnen Nederland gedeeltelijk uit, bijvoorbeeld naar de bossen in Flevoland. Op sommige plaatsen was er ook een sterke achteruitgang. Volgens SOVON bleef in de periode 1990-2007 het aantal broedparen vrij constant. Rond 2007 broedden er nog ongeveer 8000 paar in Nederland. Vlaanderen behoort tot de streken waar het minder goed gaat met de goudvink,de soort staat daar op de Vlaamse rode lijst als bedreigd. De goudvink staat als niet bedreigd op de internationale rode lijst van de IUCN.

    Bronnen:
    Nieuwsbrief van de vogelwerkgroep IVN Valkenswaard-Waalre Mei-juni 2014
    https://ivn.nl/sites/ivn/files/afdeling-contentpagina/Valkenswaard-Waalre/bestanden/vawa_vogels_nieuwsbrief16_140430.pdf
    Wikipedia
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Goudvink

  • De weidevogels worden weggevaagd uit het met imidacloprid verontreinigde Laag Holland

    De weidevogels worden weggevaagd uit het met imidacloprid verontreinigde Laag Holland

    Het Nationaal Landschap Laag Holland is een uniek- oer Hollands landschap tussen de steden Alkmaar, Hoorn, Amsterdam en Zaanstad. Weidevogels vormen een belangrijke landschappelijke kwaliteit van het Nationaal Landschap Laag Holland. In verschillende gebieden komen uitzonderlijk hoge dichtheden van grutto, tureluur, scholekster en kievit voor, terwijl in andere gebieden vooral kievit en scholekster opvallen. Voorts zijn er gebieden die gekenmerkt worden door het voorkomen van exclusieve soorten als kemphaan, watersnip, gele kwikstaart en zomertaling. Laag Holland behoort ook tot gebieden met oppervlaktewatervervuiling met het voor insecten uitzonderlijk giftige imidacloprid. Insecten zijn van levensbelang voor de voortplanting van weidevogels. Sinds de invoering van imidacloprid in de jaren negentig is er sprake van schrikbarende achteruitgang van weidevogels in Laag Holland. De afname van de weidevogelstand is landelijk gezien het sterkst in het westen waar de milieuvervuiling met imidacloprid bijzonder extreem is. Na 2000 is de afname in de laagveengebieden in Noord- en Zuid-Holland 13 procent per jaar. Een teruggang in dit tempo betekent een halvering in een tijdsbestek van 5 jaar. Het is vrijwel onmogelijk causaliteit met insectenkiller imidacloprid aan te tonen, maar de navolgende cijfers over de achteruitgang van weidevogels in Laag Holland zijn reden genoeg het voorzorgsbeginsel toe te passen en de toelating van dit milieuverontreinigende bestrijdingsmiddel onmiddellijk in te trekken.

    Het Nationaal Landschap Laag Holland is een uniek- oer Hollands landschap tussen de steden Alkmaar, Hoorn, Amsterdam en Zaanstad. Weidevogels vormen een belangrijke landschappelijke kwaliteit van het Nationaal Landschap Laag Holland. In verschillende gebieden komen uitzonderlijk hoge dichtheden van grutto, tureluur, scholekster en kievit voor, terwijl in andere gebieden vooral kievit en scholekster opvallen. Voorts zijn er gebieden die gekenmerkt worden door het voorkomen van exclusieve soorten als kemphaan, watersnip, gele kwikstaart en zomertaling. Laag Holland behoort ook tot gebieden met oppervlaktewatervervuiling met het voor insecten uitzonderlijk giftige imidacloprid. Insecten zijn van levensbelang voor de voortplanting van weidevogels. Sinds de invoering van imidacloprid in de jaren negentig is er sprake van schrikbarende achteruitgang van weidevogels in Laag Holland. De afname van de weidevogelstand is landelijk gezien het sterkst in het westen waar de milieuvervuiling met imidacloprid bijzonder extreem is. Na 2000 is de afname in de laagveengebieden in Noord- en Zuid-Holland 13 procent per jaar. Een teruggang in dit tempo betekent een halvering in een tijdsbestek van 5 jaar. Het is vrijwel onmogelijk causaliteit met insectenkiller imidacloprid aan te tonen, maar de navolgende cijfers over de achteruitgang van weidevogels in Laag Holland zijn reden genoeg het voorzorgsbeginsel toe te passen en de toelating van dit milieuverontreinigende bestrijdingsmiddel onmiddellijk in te trekken.

    Van alle weidevogels gaat de veldleeuwerik (Alauda arvensis) het snelst achteruit. Sinds 1990 is de broedpopulatie gemiddeld met 6% (1990-2000) tot 8% (na 2000) per jaar afgenomen. Na 1996 neemt de gele kwikstaart (Motacilla flava) gemiddeld met ruim 7% per jaar af. Sinds 1992 wordt de achteruitgang van de visdief (Sterna hirundo) in de veenweiden van Laag Holland op meer dan 80% geschat. De zwarte stern (Chlidonias niger) is de afgelopen decennia zeer sterk in aantal afgenomen. De soort is in Laag Holland zo bedreigd dat hij als broedvogel uit het Nationaal Landschap zal verdwijnen indien er geen gerichte maatregelen worden genomen ten aanzien van de voedselcondities. Na 1998 is de trend voor de grutto (Limosa limosa) negatief. Per jaar bedraagt de gemiddelde achteruitgang zo’n 4%. Bij een dergelijk tempo kan de populatie in Laag Holland binnen 15 jaar gehalveerd zijn. De kievit (Vanellus vanellus) vertoont vanaf 1996 een jaarlijkse daling van 1 tot 1,5% (100-150 broedparen per jaar). Sinds het begin van de jaren negentig vertoont de scholekster (Haematopus ostralegus) in Laag Holland een vrij aanzienlijke achteruitgang van 4% (1990-2000) tot 3% (2000-2006) gemiddeld per jaar. De watersnip (Gallinago gallinago) is de laatste decennia als broedvogel zeer sterk afgenomen. De kemphaan (Philomachus pugnax) is vanaf 1990 zeer sterk afgenomen en dreigt uit Laag Holland te verdwijnen. Ook bij de slobeend (Anas clypeata) is er sprake van achteruitgang sinds 1990, met een gemiddelde afname van bijna 2% per jaar en bij de zomertaling (Anas querquedula) is de algemene trend sinds 2001 negatief. Tegenwoordig broedt nog maar een fractie (24%) van de aantallen wintertalingen (Anas crecca) die in 1990-1992 werden vastgesteld. Het aantal graspiepers (Anthus pratensis) is tegenwoordig bijna 25% lager dan in 1999-2001.
    Bronnen:
    Kenniscentrum weidevogels. Kernkwaliteiten Laag Holland: weidevogels en moerasvogels (bijlage)
    Nationaal Landschap Laag Holland
    http://www.laagholland.nl/maak-kennis-met-laag-holland
    Vereniging Vrienden Oostvlietpolder
    http://www.vriendenoostvlietpolder.nl/31102005.html

  • De woudaap heeft geen schijn van kans in een met bestrijdingsmiddelen vergiftigd landschap

    De woudaap heeft geen schijn van kans in een met bestrijdingsmiddelen vergiftigd landschap

    De woudaap (Ixobrychus minutus) is een van onze kleinste reigertjes, nauwelijks groter dan een duif. De vogel nestelt in moerassen met open water en overgangen tussen dichte riet- of lisdoddenvegetatie en verspreide opslag. Het voedsel van de woudaap bestaat uit vis, amfibieën en aquatische insecten, die worden gevangen in ondiep, helder water. Rond 1960 hebben vermoedelijk 200-260 paren van de woudaap in Nederland gebroed. Dit aantal was rond 1975 al gehalveerd en is blijven steken op enkele tientallen. Jaarlijks worden rond 10 territoria van de soort gemeld. De schattingen lopen sterk uiteen, maar meer dan 10-30 territoria zijn vooralsnog niet aannemelijk. De afname ten opzichte van 1960 bedraagt dus meer dan 90%.

    De woudaap (Ixobrychus minutus) is een van onze kleinste reigertjes, nauwelijks groter dan een duif. De vogel nestelt in moerassen met open water en overgangen tussen dichte riet- of lisdoddenvegetatie en verspreide opslag. Het voedsel van de woudaap bestaat uit vis, amfibieën en aquatische insecten, die worden gevangen in ondiep, helder water. Rond 1960 hebben vermoedelijk 200-260 paren van de woudaap in Nederland gebroed. Dit aantal was rond 1975 al gehalveerd en is blijven steken op enkele tientallen. Jaarlijks worden rond 10 territoria van de soort gemeld. De schattingen lopen sterk uiteen, maar meer dan 10-30 territoria zijn vooralsnog niet aannemelijk. De afname ten opzichte van 1960 bedraagt dus meer dan 90%.

    Bron: Vogelwerkgroep de Peel
    http://www.vwgdepeel.ivnastensomeren.nl/downloads/profiel_vogel_A022.pdf

  • De grote karekiet houdt het ook in de Loosdrechtse Plassen voor gezien

    De grote karekiet houdt het ook in de Loosdrechtse Plassen voor gezien

    Hoe gaat het met de Grote Karekiet (Acrocephalus arundinaceus) in het Gooi, en omstreken? Om met het goede nieuws te beginnen, ze komen er nog voor, maar hier houdt het ook mee op. De soort is in de tweede helft van de vorige eeuw in Nederland meer dan gedecimeerd van 5000 naar 250 broedparen en de afgelopen jaren heeft deze dalende trend zich voortgezet, ook in onze regio. De oostelijke vechtplassen in de omgeving van Loosdrecht vormden altijd een bolwerk voor de Grote Karekiet. Eckhart Heunks en Martin Poot houden hier jaarlijks een telling en op waarvan ze het volgende verslag doen: “De jaarlijkse grote karekieten-telling Loosdrechtse Plassen leverde slechts 11 zingende mannetjes op! Dat is schrikbarend weinig vergeleken met de 25 tot meer dan 30 mannetjes die we afgelopen 12 jaren hier telden.”

    Hoe gaat het met de Grote Karekiet (Acrocephalus arundinaceus) in het Gooi, en omstreken? Om met het goede nieuws te beginnen, ze komen er nog voor, maar hier houdt het ook mee op. De soort is in de tweede helft van de vorige eeuw in Nederland meer dan gedecimeerd van 5000 naar 250 broedparen en de afgelopen jaren heeft deze dalende trend zich voortgezet, ook in onze regio. De oostelijke vechtplassen in de omgeving van Loosdrecht vormden altijd een bolwerk voor de Grote Karekiet. Eckhart Heunks en Martin Poot houden hier jaarlijks een telling en op waarvan ze het volgende verslag doen: “De jaarlijkse grote karekieten-telling Loosdrechtse Plassen leverde slechts 11 zingende mannetjes op! Dat is schrikbarend weinig vergeleken met de 25 tot meer dan 30 mannetjes die we afgelopen 12 jaren hier telden.”

    Bron: Vogelwerkgroep Het Gooi en Omstreken
    http://www.vwggooi.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=330&Itemid=1

  • De populatie Roeken gaat hard achteruit in Noord-Brabant

    De populatie Roeken gaat hard achteruit in Noord-Brabant

    Van 118 kolonies zijn de resultaten van 2013 en 2014 bekend en op basis daarvan komt een bijzonder sterke achteruitgang naar voren van maar liefst 26%! In deze kolonies werden 729 paren minder geteld dan in 2013. Extrapoleren we de gegevens naar de kolonies die nog niet zijn ingevoerd dan lijkt het erop dat we rekening moeten houden met een totale achteruitgang van ruim 1000 paren. Roeken (Corvus frugilegus) prefereren dierlijk voedsel (regenwormen, slakken, insecten (vooral ritnaalden; de larven van kniptorren) en af en toe zelfs muizen. Plantaardig voedsel maakt ongeveer 60% van hun dieet uit. De plantaardige voeding bestaat vooral uit allerlei zaden. Ook worden wel noten, eikels en vruchten als kersen en pruimen gegeten. Juvenielen worden voornamelijk met wormen en insecten gevoerd.

    Van 118 kolonies zijn de resultaten van 2013 en 2014 bekend en op basis daarvan komt een bijzonder sterke achteruitgang naar voren van maar liefst 26%! In deze kolonies werden 729 paren minder geteld dan in 2013. Extrapoleren we de gegevens naar de kolonies die nog niet zijn ingevoerd dan lijkt het erop dat we rekening moeten houden met een totale achteruitgang van ruim 1000 paren. Roeken (Corvus frugilegus) prefereren dierlijk voedsel (regenwormen, slakken, insecten (vooral ritnaalden; de larven van kniptorren) en af en toe zelfs muizen. Plantaardig voedsel maakt ongeveer 60% van hun dieet uit. De plantaardige voeding bestaat vooral uit allerlei zaden. Ook worden wel noten, eikels en vruchten als kersen en pruimen gegeten. Juvenielen worden voornamelijk met wormen en insecten gevoerd.

    De Plantenziektekundige Dienst en later Faunabeheer hebben in de jaren 1924, 1936, 1944 en 1954 een landelijke Roekentelling georganiseerd. Wanneer wij de resultaten van de tellingen van 1924, 1936, 1944, 1950 en 1954 vergelijken met het resultaat van de telling in 1970, kunnen wij constateren dat het aantal broedparen van de Roek sterk is afgenomen. In vergelijking met 1944 is de Roek nu met 80% achteruitgegaan. De achteruitgang heeft over het gehele land plaatsgevonden. De Roek is ten westen van de lijn Amsterdam-Breda als broedvogel praktisch geheel verdwenen. Ook in Zuid-Holland, waar vroeger veel Roeken hebben gebroed, is de Roek praktisch verdwenen.
    Bronnen:
    SOVON, 8 augustus 2014
    https://www.sovon.nl/nl/actueel/nieuws/achteruitgang-roek-noord-brabant-sterker-dan-landelijk
    Wikipedia
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Roek
    H. R. FEIJEN. Food, occurrence and decline of the Rook Corvus frugilegus in The Netherlands.
    R.I.N.-Mededeling 139. Limosa, 49 no 1-2, 1976: pag 28-67
    http://www.michelklemann.nl/roek/mgz/Limosa49.html

  • Crucial bird and mammal pollinators moving to extinction

    Crucial bird and mammal pollinators moving to extinction

    More and more pollinating bird and mammal species are moving towards extinction, raising concerns over the billion dollar eco-services they provide, says a new IUCN study. On average, 2.4 bird and mammal pollinator species per year have moved on the IUCN Red List category towards extinction in recent decades. During the period 1988 to 2012, 18 pollinator bird species qualified for being “up-listed” to a higher threat category while none qualified for a down-listing. Between 1996 and 2008, 13 mammal species identified as pollinators were up-listed to a higher threat category and two species qualified for down-listing to a lower category of threat. The study, Global Trends in the Status of Bird and Mammal Pollinators, was produced in collaboration by the United Nations Environment Programme World Conservation Monitoring Centre (UNEP-WCMC), the International Union for Conservation of Nature (IUCN), Sapienza University of Rome and BirdLife International. It is published online in the journal Conservation Letters.

    More and more pollinating bird and mammal species are moving towards extinction, raising concerns over the billion dollar eco-services they provide, says a new IUCN study. On average, 2.4 bird and mammal pollinator species per year have moved on the IUCN Red List category towards extinction in recent decades. During the period 1988 to 2012, 18 pollinator bird species qualified for being “up-listed” to a higher threat category while none qualified for a down-listing. Between 1996 and 2008, 13 mammal species identified as pollinators were up-listed to a higher threat category and two species qualified for down-listing to a lower category of threat. The study, Global Trends in the Status of Bird and Mammal Pollinators, was produced in collaboration by the United Nations Environment Programme World Conservation Monitoring Centre (UNEP-WCMC), the International Union for Conservation of Nature (IUCN), Sapienza University of Rome and BirdLife International. It is published online in the journal Conservation Letters.

    Source: International Business Times, 16 March 2015
    http://www.ibtimes.co.uk/crucial-bird-mammal-pollinators-moving-extinction-iucn-1492045

  • Chronic exposure to neonicotinoids increases neuronal vulnerability to mitochondrial dysfunction in the bumblebee

    Chronic exposure to neonicotinoids increases neuronal vulnerability to mitochondrial dysfunction in the bumblebee

    Here we show that bumblebees (Bombus terrestris audax) fed field levels [10 nM, 2.1 ppb (w/w)] of neonicotinoid accumulate between 4 and 10 nM in their brains within 3 days. Acute (minutes) exposure of cultured neurons to 10 nM clothianidin, but not imidacloprid, causes a nicotinic acetylcholine receptor-dependent rapid mitochondrial depolarization. However, a chronic (2 days) exposure to 1 nM imidacloprid leads to a receptor-dependent increased sensitivity to a normally innocuous level of acetylcholine, which now also causes rapid mitochondrial depolarization in neurons. Finally, colonies exposed to this level of imidacloprid show deficits in colony growth and nest condition compared with untreated colonies. These findings provide a mechanistic explanation for the poor navigation and foraging observed in neonicotinoid treated bumblebee colonies.

    Here we show that bumblebees (Bombus terrestris audax) fed field levels [10 nM, 2.1 ppb (w/w)] of neonicotinoid accumulate between 4 and 10 nM in their brains within 3 days. Acute (minutes) exposure of cultured neurons to 10 nM clothianidin, but not imidacloprid, causes a nicotinic acetylcholine receptor-dependent rapid mitochondrial depolarization. However, a chronic (2 days) exposure to 1 nM imidacloprid leads to a receptor-dependent increased sensitivity to a normally innocuous level of acetylcholine, which now also causes rapid mitochondrial depolarization in neurons. Finally, colonies exposed to this level of imidacloprid show deficits in colony growth and nest condition compared with untreated colonies. These findings provide a mechanistic explanation for the poor navigation and foraging observed in neonicotinoid treated bumblebee colonies.

    Source:
    Moffat, C., Pacheco, J. G., Sharp, S., Samson, A. J., Bollan, K. A., Huang, J., Buckland, S. T., Connolly, C. N. Chronic exposure to neonicotinoids increases neuronal vulnerability to mitochondrial dysfunction in the bumblebee (Bombus terrestris). FASEB Published online before print January 29, 2015, doi:10.1096/fj.14-267179
    http://www.fasebj.org/content/early/2015/01/28/fj.14-267179.short

  • Biochemical and microbial soil functioning after application of the insecticide imidacloprid

    Biochemical and microbial soil functioning after application of the insecticide imidacloprid

    The objective of this study was to assess whether changes in the structure of the soil microbial community after imidacloprid application at the field rate (FR, 1 mg/kg soil) and 10 times the FR (10 × FR, 10 mg/kg soil) may also have an impact on biochemical and microbial soil functioning. The obtained data showed a negative effect by imidacloprid applied at the FR dosage for substrate-induced respiration (SIR), the number of total bacteria, dehydrogenase (DHA), both phosphatases (PHOS-H and PHOS-OH), and urease (URE) at the beginning of the experiment. In 10 × FR treated soil, decreased activity of SIR, DHA, PHOS-OH and PHOS-H was observed over the experimental period. Nitrifying and N2-fixing bacteria were the most sensitive to imidacloprid. The concentration of NO3− decreased in both imidacloprid-treated soils, whereas the concentration of NH4+ in soil with 10 × FR was higher than in the control. Analysis of the bacterial growth strategy revealed that imidacloprid affected the r- or K-type bacterial classes as indicated also by the decreased eco-physiological (EP) index. Imidacloprid affected the physiological state of culturable bacteria and caused a reduction in the rate of colony formation as well as a prolonged time for growth. Principal component analysis showed that imidacloprid application significantly shifted the measured parameters, and the application of imidacloprid may pose a potential risk to the biochemical and microbial activity of soils.

    The objective of this study was to assess whether changes in the structure of the soil microbial community after imidacloprid application at the field rate (FR, 1 mg/kg soil) and 10 times the FR (10 × FR, 10 mg/kg soil) may also have an impact on biochemical and microbial soil functioning. The obtained data showed a negative effect by imidacloprid applied at the FR dosage for substrate-induced respiration (SIR), the number of total bacteria, dehydrogenase (DHA), both phosphatases (PHOS-H and PHOS-OH), and urease (URE) at the beginning of the experiment. In 10 × FR treated soil, decreased activity of SIR, DHA, PHOS-OH and PHOS-H was observed over the experimental period. Nitrifying and N2-fixing bacteria were the most sensitive to imidacloprid. The concentration of NO3− decreased in both imidacloprid-treated soils, whereas the concentration of NH4+ in soil with 10 × FR was higher than in the control. Analysis of the bacterial growth strategy revealed that imidacloprid affected the r- or K-type bacterial classes as indicated also by the decreased eco-physiological (EP) index. Imidacloprid affected the physiological state of culturable bacteria and caused a reduction in the rate of colony formation as well as a prolonged time for growth. Principal component analysis showed that imidacloprid application significantly shifted the measured parameters, and the application of imidacloprid may pose a potential risk to the biochemical and microbial activity of soils.

    Source:
    Mariusz Cycoń, Zofia Piotrowska-Seget. Journal of Environmental Sciences Volume 27, 1 January 2015, Pages 147–158
    http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1001074214002010

  • Imidacloprid-treated seed ingestion kills adult partridges and reduces both breeding investment and offspring immunity

    Imidacloprid-treated seed ingestion kills adult partridges and reduces both breeding investment and offspring immunity

    experimental exposure to imidacloprid treated seeds was performed on red-legged partridges (Alectoris rufa) (n=15 pairs per treatment group: control, 20% or 100% of the recommended application rate) during two periods that corresponded to the autumn (duration of exposure: 25 days) and late winter (10 days) cereal sowing times in Spanish farmlands. We studied effects on the survival, body condition, oxidative stress biomarkers, plasma biochemistry, carotenoid-based coloration, T-cell mediated immune response and reproduction of exposed adult partridges, and on the survival and T-cell immune response of their chicks. The high dose (recommended application rate) killed all partridges, with mortality occurring faster in females than in males. The low dose (20% the recommended application rate) had no effect on mortality, but reduced levels of plasma biochemistry parameters (glucose, magnesium and lactate dehydrogenase), increased blood superoxide dismutase activity, produced changes in carotenoid-based integument coloration, reduced the clutch size, delayed the first egg lay date, increased egg yolk vitamins and carotenoids and depressed T-cell immune response of chicks. Moreover, the analysis of the livers of dead partridges revealed an accumulation of imidacloprid during exposure time. Despite the moratorium on the use of neonicotinoids in the European Union, birds may still be at high risk of poisoning by these pesticides through direct sources of exposure to coated seeds in autumn and winter.

    experimental exposure to imidacloprid treated seeds was performed on red-legged partridges (Alectoris rufa) (n=15 pairs per treatment group: control, 20% or 100% of the recommended application rate) during two periods that corresponded to the autumn (duration of exposure: 25 days) and late winter (10 days) cereal sowing times in Spanish farmlands. We studied effects on the survival, body condition, oxidative stress biomarkers, plasma biochemistry, carotenoid-based coloration, T-cell mediated immune response and reproduction of exposed adult partridges, and on the survival and T-cell immune response of their chicks. The high dose (recommended application rate) killed all partridges, with mortality occurring faster in females than in males. The low dose (20% the recommended application rate) had no effect on mortality, but reduced levels of plasma biochemistry parameters (glucose, magnesium and lactate dehydrogenase), increased blood superoxide dismutase activity, produced changes in carotenoid-based integument coloration, reduced the clutch size, delayed the first egg lay date, increased egg yolk vitamins and carotenoids and depressed T-cell immune response of chicks. Moreover, the analysis of the livers of dead partridges revealed an accumulation of imidacloprid during exposure time. Despite the moratorium on the use of neonicotinoids in the European Union, birds may still be at high risk of poisoning by these pesticides through direct sources of exposure to coated seeds in autumn and winter.

    Source:
    A. Lopez-Antia et al. / Environmental Research 136 (2015) 97–107

  • Insekten sind europaweit auf dem Rückzug.  Diese Entwicklung kann teuer werden

    Insekten sind europaweit auf dem Rückzug. Diese Entwicklung kann teuer werden

    Sich ein realistisches Bild vom Zustand der Insektenwelt zu verschaffen, erfordert einigen Aufwand und jahrelange Forschungsarbeit. Es gilt, die Trends der Bestandsentwicklung über möglichst große Gebiete und lange Zeiträume zu verfolgen. Zu den wenigen Insektengruppen, bei denen das bisher gelungen ist, gehören die Tagfalter. Daher haben Josef Settele und seine Kollegen vom UFZ im Jahr 2005 ein Mitmachprojekt gestartet, bei dem sich jeder Interessierte als Schmetterlings-Volkszähler betätigen kann. Im Rahmen des “Tagfalter-Monitoring Deutschland” gehen bundesweit mittlerweile rund 500 Freiwillige regelmäßig auf Schmetterlingssuche. Jeder Falter-Fahnder wählt dazu mit fachkundiger Unterstützung eine geeignete Strecke in der Nähe seines Wohnortes aus, die je nach Landschaft idealerweise zwischen 200 Meter und einem Kilometer lang ist. Dieses sogenannte Transekt läuft er dann einmal pro Woche ab und zählt die unterwegs entdeckten Schmetterlinge. “So können wir viel mehr Informationen gewinnen, als wenn wir uns nur auf unsere eigenen Erhebungen stützen würden”, sagt der Forscher. Etliche Informationen aus diesem Projekt sind nun in eine europäische Bestandsaufnahme eingeflossen, die sich speziell auf die Tagfalter der Wiesen und Weiden konzentriert. Zu diesem “European Butterfly Grassland Indicator” haben Beobachter-Netzwerke aus insgesamt 19 europäischen Ländern ihre Daten der Jahre 1990 bis 2011 beigesteuert. Daraus ließ sich die Bestandsentwicklung von 17 ausgewählten Grünland-Arten berechnen. Die Ergebnisse hat die Europäische Umweltagentur EEA Ende Juli veröffentlicht.
    Der Bericht zeichnet einen klaren Negativ-Trend: Von den 17 untersuchten Arten sind seit 1990 acht zurückgegangen, im Durchschnitt sind die Bestände in den letzten 20 Jahren fast um die Hälfte geschrumpft.

    Sich ein realistisches Bild vom Zustand der Insektenwelt zu verschaffen, erfordert einigen Aufwand und jahrelange Forschungsarbeit. Es gilt, die Trends der Bestandsentwicklung über möglichst große Gebiete und lange Zeiträume zu verfolgen. Zu den wenigen Insektengruppen, bei denen das bisher gelungen ist, gehören die Tagfalter. Daher haben Josef Settele und seine Kollegen vom UFZ im Jahr 2005 ein Mitmachprojekt gestartet, bei dem sich jeder Interessierte als Schmetterlings-Volkszähler betätigen kann. Im Rahmen des “Tagfalter-Monitoring Deutschland” gehen bundesweit mittlerweile rund 500 Freiwillige regelmäßig auf Schmetterlingssuche. Jeder Falter-Fahnder wählt dazu mit fachkundiger Unterstützung eine geeignete Strecke in der Nähe seines Wohnortes aus, die je nach Landschaft idealerweise zwischen 200 Meter und einem Kilometer lang ist. Dieses sogenannte Transekt läuft er dann einmal pro Woche ab und zählt die unterwegs entdeckten Schmetterlinge. “So können wir viel mehr Informationen gewinnen, als wenn wir uns nur auf unsere eigenen Erhebungen stützen würden”, sagt der Forscher. Etliche Informationen aus diesem Projekt sind nun in eine europäische Bestandsaufnahme eingeflossen, die sich speziell auf die Tagfalter der Wiesen und Weiden konzentriert. Zu diesem “European Butterfly Grassland Indicator” haben Beobachter-Netzwerke aus insgesamt 19 europäischen Ländern ihre Daten der Jahre 1990 bis 2011 beigesteuert. Daraus ließ sich die Bestandsentwicklung von 17 ausgewählten Grünland-Arten berechnen. Die Ergebnisse hat die Europäische Umweltagentur EEA Ende Juli veröffentlicht.
    Der Bericht zeichnet einen klaren Negativ-Trend: Von den 17 untersuchten Arten sind seit 1990 acht zurückgegangen, im Durchschnitt sind die Bestände in den letzten 20 Jahren fast um die Hälfte geschrumpft.

    Im Rahmen eines Programms namens “UK Environmental Change Network” nehmen Wissenschaftler schon seit den 1990er Jahren die Laufkäfer-Fauna in verschiedenen Lebensräumen Großbritanniens unter die Lupe. Ein Team um David Brooks vom Agrarforschungsinstitut Rothamsted Research im englischen Harpenden hat die Daten aus 15 Jahren ausgewertet – und kommt zu ganz ähnlichen Ergebnissen wie die Schmetterlings-Fahnder.
    Das kann massive ökologische Folgen haben. Denn Insekten ziehen in den Ökosystemen der Erde eine ganze Reihe von entscheidenden Strippen. Viele helfen zum Beispiel bei der Zersetzung toter Biomasse und halten so die Nährstoffkreisläufe in Gang. Zudem haben die Sechsbeiner zahllose Räuber und Beutetiere in ihren Reihen, die wichtige Glieder in den Nahrungsketten sind. Wenn diese ausfallen, kann das auch für den Menschen unangenehm werden. “Laufkäfer sind zum Beispiel wichtig für die Landwirtschaft”, erklärt David Brooks. “Denn sie helfen, Schädlinge und Unkraut in Schach zu halten”.
    Pflanzen nutzen Insekten nicht nur als Leibgarde gegen gefräßige Gegner. Viele Gewächse lassen auch ihre Blüten von Bienen, Schmetterlingen oder Schwebfliegen bestäuben. Und diese Leistung ist durch nichts zu ersetzen. Offenbar ist vielerorts bereits ein fataler Kreislauf in Gang gekommen: Durch die intensiver werdende Landwirtschaft sind blütenreiche Lebensräume zur Rarität geworden. Mit den Blüten aber verschwinden zunehmend auch ihre Bestäuber – und damit werden die jeweiligen Pflanzen dann noch seltener.

    Schon lange befürchten Ökologen, dass solche Prozesse in Zukunft die Artenvielfalt von Wildpflanzen dezimieren und ganze Ökosysteme drastisch verändern könnten. Doch auch für die Landwirtschaft dürfte der Verlust der Bestäuber nicht ohne Folgen bleiben. Denn viele Kulturpflanzen liefern nur mit sechsbeiniger Hilfe den gewohnten Ertrag. Das gilt vor allem für zahlreiche Obst- und Gemüselieferanten.

    Um einen genaueren Eindruck vom wirtschaftlichen Wert der Bestäuber zu gewinnen, hat sich Josef Settele gemeinsam mit französischen Kollegen vor ein paar Jahren eine echte Geduldsarbeit aufgehalst. Zunächst haben die Forscher abgeschätzt, wie stark die hundert wichtigsten der weltweit zur menschlichen Ernährung angebauten Pflanzen auf ihre Bestäuber angewiesen sind. “Uns hat interessiert, welcher Anteil der Ernte bei den jeweiligen Gewächsen von der Leistung der Insekten abhängt”, erläutert der Ökologe. Aus den Statistiken der Welternährungsorganisation FAO haben die Wissenschaftler dann für sämtliche analysierten Pflanzen die weltweiten Erntemengen und deren wirtschaftlichen Wert herausgesucht.

    Daraus ließ sich schließlich mit komplexen Formeln berechnen, welche wirtschaftlichen Verluste ein Totalausfall der Bestäuber mit sich bringen würde. Im Jahr 2005 hätten demnach allein die Obst- und Gemüsebauern weltweit jeweils 50 Milliarden Euro in den Wind schreiben müssen. 39 Milliarden Euro Verlust wären bei den essbaren Ölsaaten wie Raps oder Sonnenblumen dazu gekommen. Und auch bei Kaffee, Kakao, Nüssen und Gewürzen wären die Ernten und Umsätze deutlich schlechter ausgefallen. Insgesamt beziffern die Forscher den drohenden Verlust bei einem Verschwinden der Bestäuber weltweit auf rund 153 Milliarden Euro pro Jahr. Der Rückgang der Sechsbeiner hat also auch massive wirtschaftliche Folgen. Die Umsatzeinbußen der Hersteller von Insektenschwämmen für Autoscheiben dürfte in dieser Bilanz noch der kleinste Posten sein.

    Quelle: Spektrum.de, 16.08.13
    http://www.spektrum.de/news/der-schwund-der-sechsbeiner/1204129