Auteur: Henk Tennekes

  • The Spotted Owl Is in Peril in Washington State

    The Spotted Owl Is in Peril in Washington State

    Estimates on the total number of spotted owls (Strix occidentalis) in Washington state are, like the bird itself, elusive, but spotted-owl study areas indicate the scope of their demise. In the three study areas in Washington actively monitored by state and federal agencies, spotted-owl populations have declined between 4.7 percent and 8.4 percent a year over the past 20 years. In one Cle Elum study area, of 77 historical spotted-owl territories only 11 were found occupied in 2015. Of those 11 sites, seven contained breeding pairs of owls, with just three breeding pairs spotted with young. In an Olympic Peninsula study area, the probability of finding a spotted owl in a range deemed a “known spotted-owl site” dropped 75 percent from 1995 to 2013. Ken Wiersema, president of the Olympic Peninsula Audubon Society, says it’s been “several” years since any member of the society has seen or heard a spotted owl during the society’s annual bird census. “They’re still out there,” Wiersema says. “But there’s no question they’re in decline.”

    Source: Seattle Weekly, June 14, 2016
    http://www.seattleweekly.com/news/the-spotted-owl-is-in-peril-again-and-you-cant-blame-the-loggers-2637166/

  • Purple martins are starving to death in Delaware

    Purple martins are starving to death in Delaware

    Dozens of adult purple martins (Progne subis) in the Mid-Atlantic starved to death this spring. Particularly hard hit was an established martin colony at Longwood Gardens, where an estimated 30 adults died. In Delaware, nesting has been delayed by as much as 2 1/2 weeks. Because the birds depend on live insects, which they capture in flight, there was little that could be done to save them. The birds each spring make a 5,000-mile migration north from the Amazon rain forest up the East Coast, said Joe Siegrist, research and outreach director for the Purple Martin Conservation Association in Erie, Pennsylvania.

    Source: Delaware Online, June 14, 2016
    http://www.delawareonline.com/story/news/2016/06/14/purple-martins-suffer-cold-spring/85826872/

  • British population of hedgehogs has dipped to under one million

    British population of hedgehogs has dipped to under one million

    New RSPB data have revealed further declines in sightings of some of our most familiar and favourite garden mammals and reptiles. Results collected from the Big Garden Birdwatch wildlife survey showed only 25 per cent of people logged a Hedgehog in their garden at least once a month – 13 per cent fewer than in 2014 – while the numbers of people who have never seen a Hedgehog in their garden continued to grow to 25 per cent, up 11 per cent since 2014. A grand total of 284,618 survey participants provided information about other wildlife from 189,162 gardens. This pattern of decline in sightings is apparent across both rural and suburban gardens, yet in urban gardens the number of people who have reported seeing a Hedgehog on a monthly basis has increased by 12 per cent in the last two years (26 per cent overall). Despite this, population monitoring surveys indicate that Hedgehogs remain in long-term decline, with the latest figures suggesting that the British population has dipped to under one million.

    Source: Birdwatch, 14 June 2016
    http://www.birdwatch.co.uk/channel/newsitem.asp?c=11&cate=__16354

  • Pilz bedroht Europas Salamander

    Pilz bedroht Europas Salamander

    Der Killer ist erst seit wenigen Jahren in Europa, doch er richtet verheerende Schäden an. Ein aggressiver Pilz aus Asien befällt die Haut von Salamandern und Molchen und tötet die Tiere in kurzer Zeit. In den Niederlanden sind zwischen 2010 und 2013 99,9 Prozent der Salamander ausgestorben, berichten Forscher. Und der Erreger namens „Bs“ (Batrachochytrium salamandrivorans) breitet sich weiter aus. Viele Salamander- und Molcharten Europas könnten ausgelöscht werden, befürchten Amphibien-Experten wie Dirk Schmeller vom Helmholtz-Zentrum für Umweltforschung (UFZ) in Leipzig. Die Wissenschaftler appellieren daher an die Europäische Kommission, den Killer zu bekämpfen und so ein Massensterben einer großen Tiergruppe zu verhindern.

    Was ein Pilzerreger anrichten kann, haben die Forscher bereits bei „Bd“ gesehen. Die Abkürzung steht für „Batrachochytrium dendrobatidis“ – ein Pilz aus einer großen Familie, die meist Algen angreift. Nur ein Familienmitglied attackiert Wirbeltiere, vor allem Frösche werden massiv dezimiert. Als der Erreger 2004 eine Region in Panama erreichte, dauerte es nur drei Monate, bis 95 Prozent der Amphibien aus diesem Gebiet verschwunden waren. Seit er eingeschleppt wurde, hat der Pilz in Mittel- und Südamerika weit mehr als hundert Froscharten ausgelöscht. Auch in Nordamerika, Europa und Australien macht er hunderten weiteren Arten zu schaffen.

    Ähnliches scheint sich nun mit „Bs“ zu wiederholen. Als das Salamandersterben in den Niederlanden begann, fanden Wissenschaftler bald den Pilz Batrachochytrium salamandrivorans. Die Biologen waren alarmiert. „Unsere schlimmsten Befürchtungen bestätigten sich rasch“, sagt UFZ-Forscher Schmeller. Bald nach der Infektion hat der Pilz Löcher in die Haut der Tiere gefressen. An diesen Stellen können die Salamander und Molche nicht mehr atmen, keine Abfallstoffe abgeben und keine Salze aus der Umgebung aufnehmen. Nach wenigen Tagen ist die Ver- und Entsorgung der Tiere weitgehend zusammengebrochen. Zusätzlich dringen durch die Löcher andere Erreger in den Körper ein und schwächen den Organismus weiter. Die meisten infizierten Salamander und Molche sterben zwei oder drei Wochen nach der Infektion.

    „Mit den Amphibien trifft die Katastrophe obendrein eine Tiergruppe, der es bereits vor Bs schlecht ging“, sagt Schmeller. So leben zum Beispiel Feuersalamander im feuchten Laub der Wälder, setzen ihre lebend geborenen Larven aber in Gewässer. Dort verbringt der Nachwuchs den ersten Lebensabschnitt, bevor er an Land geht. Solche Gewässer wurden in der Vergangenheit oft zugeschoben, Moore wurden trockengelegt und viele Salamander und Lurche verloren ihren Lebensraum.

    Weil die Tiere durch ihre Haut atmen und Salze aufnehmen, erwischen sie auf diesem Weg auch Pestizide, die in Land- und Forstwirtschaft eingesetzt werden. Da wundert es nicht, wenn in Europa ein Drittel aller Amphibien als mehr oder minder gefährdet gilt. Überlebt der eine oder andere Salamander eine Bs-Infektion, sind seine Zukunftsaussichten unter diesen Bedingungen trotzdem nicht gut.
    Quelle: Tagesspiegel, 13.06.2016
    http://www.tagesspiegel.de/wissen/toedliche-loecher-in-der-haut-pilz-bedroht-europas-salamander/13727668.html

  • Raad van State wijst de onderbouwing van het bollen- en sierteeltverbod in Ommen af

    Raad van State wijst de onderbouwing van het bollen- en sierteeltverbod in Ommen af

    De Raad van State heeft het algemene bollen- en sierteeltverbod in grondwaterbeschermingsgebieden van de gemeente Ommen afgeschoten. Landbouwlobby LTO maakte namens vijf Ommer bollentelers met succes bezwaar tegen het bollen- en sierteeltverbod dat de gemeente in haar bestemmingsplan voor het buitengebied heeft opgenomen. In een definitieve uitspraak stelt de Raad van State dat Ommen het algemene verbod niet goed heeft onderbouwd.
    De Raad geeft de gemeente een half jaar de tijd om, of alsnog met een beter verhaal voor het teeltverbod te komen, of het algemene bollenteeltverbod alsnog uit het bestemmingsplan voor het Buitengebied te schrappen.

    Ommen nam het teeltverbod in het bestemmingsplan op omdat ze bevreesd is dat bestrijdingsmiddelen via het grondwater in het drinkwater terecht komen. Ommen baseerde zich daarbij op bedenkingen van drinkwaterbedrijf Vitens, die dat deed op basis van een rapport van milieuonderzoeksbureau Alterra.

    De Raad van State wijst het Alterra-rapport als enige onderbouwing van het bollenteeltverbod van de hand. Volgens ’s lands hoogste bestuursrechtscollege staat in het rapport niet hoe groot het risico is van het bestrijdingsmiddelengebruik voor de kwaliteit van het grondwater.

    Bovendien hebben we in Nederland het CTGB (College voor toelating bestrijdingsmiddelen) die alleen bestrijdingsmiddelen toelaat die in principe geen gevaar voor de volksgezondheid opleveren. Verder heeft de gemeente Ommen niet onderzocht hoeveel bestaande bollentelers en bollen- en sierteeltakkers door het verbod getroffen worden. Immers, in het vorige bestemmingsplan was het telen van bollen en siergewassen nog wel legaal.

    Mochten de telers en LTO over een half jaar niet tevreden zijn met het nieuwe besluit dat de gemeenteraad van Ommen moet nemen, dan kunnen zij wederom naar de Raad van State stappen.

    Bron: De Stentor, 9-6-2016
    http://www.destentor.nl/regio/ommen/bollenteeltverbod-ommen-op-de-schop-1.6093029

  • Neonicotinoïden veroorzaken infectieziektes bij honingbijen en insectivore soorten

    Neonicotinoïden veroorzaken infectieziektes bij honingbijen en insectivore soorten

    Jarenlang hebben toxicologen gegevens verzameld over de onderdrukking van het immuunsysteem van gewervelde dieren door blootstelling aan lage concentraties van bestrijdingsmiddelen. De milieuverontreiniging met neonicotinoïden veroorzaakt niet alleen een schaarste aan insecten maar kan ook een immuunsuppressieve werking hebben op bijen en insectivore soorten die op insecten zijn aangewezen. We zien dan ook in de laatste twee decennia een explosieve toename van infectieziektes bij honingbijen, hommels, vissen, vogels, vleermuizen, amfibieën en reptielen (zie bijgevoegde artikelen). Amfibieën (kikkers, padden, salamanders en wormsalamanders) hebben het als diergroep allesbehalve gemakkelijk. De beruchte aandoening chytridiomycose, die wordt veroorzaakt door de gistachtige schimmels Batrachochytrium dendrobatidis en Batrachochytrium salamandrivorans, heeft zich opgeworpen als de meest destructieve infectieziekte die ooit onder gewervelde dieren heeft huisgehouden. Bd infecteert kikkers, padden en salamanders (de schimmel is al bij honderden soorten aangetroffen) en komt inmiddels voor op alle continenten buiten het amfibieloze Antarctica. De ziekteverwekker heeft sinds de jaren negentig van de vorige eeuw met name in Midden- en Zuid-Amerika een enorme slachting aangericht. Vooral veel kleurrijke soorten die behoren tot het geslacht van de klompvoetkikkers (bijvoorbeeld de oogstrelend mooie harlekijnkikker) zijn zwaar getroffen door de aandoening. Salamanderkiller Batrachochytrium salamandrivorans, een chytrideschimmel die parasiteert op salamanders, heeft in Nederland grote schade aangericht. De ziekteverwekker is de veroorzaker van de massale sterfte onder vuursalamanders in Zuid-Limburg en heeft zich inmiddels zuidwaarts richting België uitgebreid. Aanvullend onderzoek door wetenschappers van de Universiteit van Gent, de Vrije Universiteit Brussel en Stichting Ravon heeft bovendien uitgewezen dat alle in Nederland voorkomende salamandersoorten gevoelig zijn voor de schimmel en dus een groot risico lopen. Inmiddels is ook bekend dat een kleine watersalamander die in 2014 door leden van de Herpetologische Studiegroep Limburg (HSL) dood werd aangetroffen in het dal van de Vlootbeek besmet was met Bs. De uit Azië stammende schimmel, die is meegelift op in terrariumkringen populaire (en immune) soorten zoals de Chinese vuurbuiksalamander, heeft de potentie om salamanders hier te lande te decimeren: “Binnen 25 tot 50 jaar verwachten we in Europa massale instortingen van populaties”, stelt expert Annemarieke Spitzen (Ravon) in een artikel op de website van National Geographic Nederland. Chytridiomycose veroorzaakt zware huidbeschadigingen (de schimmel gebruikt keratine als groeilaag en tast zo de bovenste huidlaag van volwassen dieren en de bek van kikkervisjes aan) en misvormingen bij amfibieën, waardoor de ademhaling en opname van vloeistoffen door de huid wordt verstoord. Besmette dieren sterven meestal binnen een paar weken.

    Ook ranavirussen zijn een serieus gevaar voor onze amfibieën. Een lid van deze verschillende soorten omvattende groep dook in 2014 op in de Driestruik, een natuurgebiedje bij Roermond. Na de vondst van meerdere dode en besmette larven van de knoflookpad, werd het gebied zelfs een tijdje afgesloten voor bezoekers om een verdere verspreiding van het virus te voorkomen. Ook in de regio Echt-Susteren zijn de laatste jaren dode en verminkte kikkers en kikkervisjes opgedoken die besmet bleken te zijn met een ranavirus. De ziekteverwekkers komen voor op bijna alle continenten en treffen (deels afhankelijk van de soort) amfibieën, vissen en reptielen. Het zijn virussen die gedijen bij hogere temperaturen. Ranavirussen kunnen in het ergste geval binnen relatief korte tijd tachtig procent van een populatie wegvagen. Zeker zeldzame soorten met een beperkt verspreidingsgebied zoals de knoflookpad of geelbuikvuurpad lopen dus een groot risico. Besmette amfibieën lijden meestal aan in- en uitwendige bloedingen en zijn vaak bedekt met bulten of huidzweren. Ook verliezen de dieren dikwijls spiermassa in de poten.

    Minder bekend is de ‘blaasjesziekte’, een infectie met een eencellige schimmel uit het geslacht Amphibiocystidium. De aandoening kenmerkt zich door de vorming van witte of doorzichtige blaasjes op de huid van een kikker of salamander en resulteert uiteindelijk vaak in aantasting van de lever, de nieren en het spierweefsel. De blaasjes concentreren zich doorgaans rond de buikstreek, maar kunnen ook op andere delen van het lichaam voorkomen. Bovendien zijn de huidbobbels variabel van vorm en verschilt de precieze verschijningsvorm niet zelden per kikker- of salamandersoort. De zweren gaan regelmatig gepaard met secundaire infecties, wat erop duidt dat Amphibiocystidium-schimmels het afweersysteem verzwakken en zo tevens de deur openen voor andere sluipmoordenaars zoals chytridiomycose. De laatste jaren zijn vooral in poelen op de Melickerheide (Midden-Limburg) vrij veel met blaasjes bezaaide amfibieën gevonden, maar sterftegolven zijn vooralsnog uitgebleven.
    Gebruikte bron: Dierenblog.nl, 17-3-16
    http://dieren.blog.nl/natuur-in-nederland/2016/03/07/opmars-van-de-amfibieendoders

  • Honey bees’ behavior is impaired by chronic exposure to thiacloprid in the field

    Honey bees’ behavior is impaired by chronic exposure to thiacloprid in the field

    The decline of pollinators worldwide is of growing concern and has been related to the use of plant protecting chemicals. Most studies have focused on three neonicotinoid insecticides, clothianidin, imidacloprid and thiamethoxam, currently subject to a moratorium in the EU. Here we focus on thiacloprid, a widely used cyano-substituted neonicotinoid thought to be less toxic to honey bees and of which use has increased in the last years. Honey bees (Apis mellifera carnica) were exposed chronically to thiacloprid in the field for several weeks at a sublethal concentration. Foraging behavior, homing success, navigation performance, and social communication were impaired, and thiacloprid residue levels increased both in the foragers and the nest mates over time. The effects observed in the field were not due to a repellent taste of the substance. For the first time, we present the necessary data for the risk evaluation of thiacloprid taken up chronically by honey bees in field conditions.
    Source:
    Lea Tison, Marie-Luise Hahn, Sophie Holtz, Alexander Rößner, Uwe Greggers, Gabriela Bischoff, and Randolf Menzel. Environ. Sci. Technol. DOI: 10.1021/acs.est.6b02658
    Publication Date (Web): June 7, 2016

  • Sterke achteruitgang van doortrekkende kemphanen in Zuidwest Fryslân

    Sterke achteruitgang van doortrekkende kemphanen in Zuidwest Fryslân

    De kemphaan (Philomachus pugnax) is een vogel uit de familie van snipachtigen (Scolopacidae). Hun voedsel bestaat uit insecten en larven. Het is in Nederland een ernstig bedreigde broedvogel die vroeger veel voorkwam in natte weilanden van laag-Nederland. Als broedvogel is de vogel bijna uitgestorven in Nederland. In 1950 broedden er in Nederland nog 6000 paar, in 1980 800-1100 en rond 2002 nog maar 120 en daarna ging het verder bergafwaarts. In 2012 waren er vier meldingen van vogels die mogelijk hadden gebroed. Sinds 2002 neemt ook het aantal doortrekkers sterk af. In Vlaanderen is de kemphaan sinds 1977 als broedvogel verdwenen. In het laatst verschenen nummer van het Nederlandse ornithologische wetenschappelijke tijdschrift ARDEA publiceren Lucie Schmaltz e.a. een analyse van een langjarige serie waarnemingen aan de verspreiding van doortrekkende kemphanen (Philomachus pugnax) in Zuidwest Fryslân. Er is in deze jaren sprake van een achteruitgang van kemphanen die op weg zijn naar het noorden. In de onderzoeksperiode namen de piekaantallen af van 20.000 vogels in 2003 tot 3500 in 2009. In de loop van de jaren trokken de kemphanen zich meer en meer terug in het midden van ons studiegebied van 10.000 hectare. De inventarisaties brachten ook aan het licht dat kemphanen een voorkeur hebben voor de Workumerwaard: een bijzonder grote, open en grotendeels extensief beheerde polder met een zanderige bodem en een korte vegetatie, grenzend aan een traditionele slaapplaats direct aan de kust.

    Bronnen:
    Kening fan ‘e Greide, 31-05-16
    http://www.kingofthemeadows.eu/hoants-upon-a-time-the-west-fryslan/
    Wikipedia
    https://nl.wikipedia.org/wiki/Kemphaan

  • Onderzoek in de VS laat zien dat bijen ook last hebben van gif buiten de landbouw

    Onderzoek in de VS laat zien dat bijen ook last hebben van gif buiten de landbouw

    Amerikaans onderzoek toont aan dat bijen veel in contact komen met chemicaliën die buiten de landbouw worden gebruikt. De wetenschappers vinden dat meer onderzoek nodig is om conclusies te kunnen trekken. Toxicoloog Henk Tennekes is het daarmee eens. “Er is weinig bekend over de risico’s van chemische stoffen die buiten de landbouw worden gebruikt. Maar dat kan nooit een reden zijn om het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw vrij te pleiten. De leefomgeving wordt daar zwaar mee belast. Het Amerikaanse onderzoek bevestigt dit. Reden te meer eens goed na te denken of we wel goed bezig zijn.” Volgens Tennekes laat het Amerikaanse onderzoek zien dat wilde planten niet alleen met neonicotinoïden worden belast. “Ook andere chemische middelen die niet direct in de landbouw worden toegepast, kunnen stuifmeel verontreinigen. In de Verenigde Staten worden bestrijdingsmiddelen zoals phenothrin en prallethrin ook ingezet tegen muggen, vlooien en teken. De bijensterfte na de winter lag in de VS boven de 40%. Dat hoeft dus ook niet te verbazen.”

    Het onderzoek waar Tennekes naar verwijst, is uitgevoerd door de Purdue University in West Lafayette (VS) en gepubliceerd in het tijdschrift Nature Communications. De onderzoekers Christian Krupke en Elizabeth Long verzamelden van mei tot en met september 2015 op drie plaatsen in de staat Indiana stuifmeel uit bijenkorven. Een derde van de bijenkasten stond in stedelijk gebied en een derde stond naast een perceel met mais dat was behandeld met neonicotinoïden. De rest stond naast een perceel met onbehandelde mais.

    Het stuifmeel uit de bijenkasten bleek afkomstig van 30 plantensoorten. Opmerkelijk is dat verreweg het meeste stuifmeel afkomstig is van planten die niet als landbouwgewas worden geteeld, zelfs uit de bijenkasten die direct naast de mais stonden. Daarnaast blijkt dat het stuifmeel residuen bevat van 29 tot 31 chemische stoffen, waaronder ook neonicotinoïden. De hoogste concentratie chemische stoffen blijkt echter te bestaan uit pyrethroïden, afkomstig van insecticiden die worden gebruikt om muggen en muskieten te bestrijden in en rond gebouwen.

    Krupke is hoogst verbaasd hierover. “Bijen staan bloot aan veel meer soorten chemische stoffen, dan we hadden verwacht. Chemicaliën van agrarische herkomst vormen maar een deel van het probleem. Zelfs als de bijenkasten dicht bij gewassen staan, is een groot deel van de chemicaliën in het stuifmeel uit de kasten afkomstig van huishoudens en steden.”

    Volgens Krupke leggen veel studies een relatie tussen neonicotinoïden en bijen. Hij pleit voor meer onderzoek naar de mate waarin bijen in contact komen met chemicaliën van buiten de landbouw. Ook vindt hij dat meer inzicht nodig is in de wisselwerking tussen de diverse chemicaliën en het effect daarvan op de bijen.

    Bron: Jan Engwerda in Boerderij, 8-6-16
    http://www.boerderij.nl/Akkerbouw/Nieuws/2016/6/Weinig-kennis-over-bijen-en-niet-landbouw-gif-2815755W/

  • Het Westland helpt ons van de wal in de sloot – minder imidacloprid, meer thiamethoxam

    Het Westland helpt ons van de wal in de sloot – minder imidacloprid, meer thiamethoxam

    De totale hoeveelheid imidacloprid nam af in de polders met veel glastuinbouw, volgens Hoogheemraadschap Delfland. Maar deze afname wordt tenietgedaan door een gelijktijdige toename van vergelijkbare bestrijdingsmiddelen zoals thiamethoxam. Dat blijkt uit de waterkwaliteitsrapportage 2015 van Delfland. Het schap noemt de voortgang nog niet voldoende.

    Voor jaargemiddeldes van aangetroffen gehaltes is de vervuiling met imidacloprid relatief snel teruggelopen sinds 2013. Dat jaar werd bij een kwart van de meetpunten toegestane gehaltes imidacloprid aangetroffen, vorig jaar was dat bij de helft van de meetpunten het geval. Wel trof het schap in april in Nootdorp extreem hoge waardes aan, wat duidt op een lozing.

    Het schap ziet een relatie tussen de daling van overschrijdingen imidacloprid en een inperking van het gebruik. Dat leidt wel mogelijk tot een toename van het gebruik van stoffen uit de 2e generatie neonicotinoïden, bijvoorbeeld thiamethoxam.

    Ondernemers die imidacloprid-middelen toepassen in hun teelt mogen afvalwater niet lozen of het water moet voor tenminste 99,5% gezuiverd zijn voor lozing in riool of oppervlaktewater. Deze voorwaarde voor het kopen van deze middelen geldt sinds augustus 2015.

    Het Hoogheemraadschap gaat de resultaten de komende weken presenteren aan gemeenten en tuinders. In de glastuinbouw moeten – ondanks verbeteringen op sommige punten – nog grote stappen gezet worden. “Lokaal worden gelukkig wel al enkele grote slagen gemaakt door intensieve samenwerking tussen tuinders en Delfland. Er is de afgelopen jaren, in gezamenlijkheid hard gewerkt, maar de resultaten blijven achter”, schrijft Delfland. Bijna alle glastuinbouwbedrijven zijn aangesloten op de riolering, maar de gemiddelde concentratie van de verontreinigingen in de sloot is niet gedaald. Het aantal aangetroffen bestrijdingsmiddelen is toegenomen.

    Delfland wil door middel van samenwerking de inzet vergroten zodat eind 2021 100 procent van het gebied is doorgelicht.

    Uit de Waterkwaliteitsrapportage 2015 van Delfland blijkt dat in vrijwel alle polders het oppervlaktewater is vervuild. Het midden door Den Haag lopende Verversingskanaal bijvoorbeeld is een stuk schoner dan de gemiddelde poldersloot. Dat geldt ook voor het Schiekanaal.

    Behalve in de Westlandse polders is vervuiling aangetroffen in de Oude Campspolder bij Maasland, de Zuidpolder bij Delfgauw, de Woudse Droogmakerij bij Schipluiden en de Polder van Nootdorp. Het laatste gebied valt in negatieve zin op door een extreem hoge concentratie van het pesticide imidacloprid; in deze polder ligt de concentratie 250 keer hoger dan wat is toegestaan. Omdat deze stof extreem schadelijk is voor de bijen, heeft de Europese Commissie het gebruik ervan veboden. Maar de glastuinbouw valt niet onder dat verbod. Andere vervuilers zijn stikstof en fosfaten.

    Delfland constateert nu dat, ondanks alle afspraken en samenwerking met onder meer LTO Glaskracht, ‘de resultaten achterblijven’. Terwijl bijna alle glastuinbouwbedrijven zijn aangesloten op de riolering, is ‘de gemiddelde concentratie van de verontreinigingen in de sloot niet gedaald. Het aantal aangetroffen bestrijdingsmiddelen is zelfs toegenomen’, aldus een verklaring van Delfland.

    Het hoogheemraadschap kiest nu voor een hardere aanpak. Per polder wordt met peilbuizen extra gemeten en gecontroleerd. Er worden ook infraroodcamera’s ingezet. Als blijkt dat gedrag van een tuinder ‘niet adequaat’ is, wordt er tegen betrokkene opgetreden.

    Daarnaast onderneemt Delfland ook zelf actie om de waterkwaliteit te verbeteren. Er wordt schoon water uit het Brielse Meer ingelaten om de polders schoon te spoelen. Maar eigenlijk zou dat niet nodig moeten zijn, constateert het hoogheemraadschap. Het wijst er verder op dat de tuinbouwsector zijn eigen glazen ingooit omdat hij als ‘niet duurzaam’ te boek komt te staan. Bovendien doen de lozers aan concurrentievervalsing. En hun gedrag kan leiden tot scherpere verboden van bestrijdingsmiddelen.
    Bronnen: Groenten en Fruit, 1 juni 2016
    http://www.gfactueel.nl/Glas/Nieuws/2016/6/Vervuiling-imidacloprid-nam-af-in-2015-2812093W/
    AD, 30-5-16
    http://www.ad.nl/delft/tuinders-lozen-nog-altijd-gif-op-sloten-delfland~a59c154b/

    Link naar het rapport:
    https://www.hhdelfland.nl/actueel/nieuws/DMSP1260044Waterkwaliteitsrapportage_2015.pdf