Auteur: Henk Tennekes

  • Negen soorten broedvogels zijn in Nederland uitgestorven en 87 soorten worden nu in hun voortbestaan bedreigd

    Negen soorten broedvogels zijn in Nederland uitgestorven en 87 soorten worden nu in hun voortbestaan bedreigd

    Het aantal bedreigde broedvogels in Nederland neemt toe. Er staan negen broedvogels meer op de Rode Lijst dan in de vorige publicatie in 2004. Onder meer de torenvalk (Falco tinnunculus) en de wulp (Numenius arquata) staan er nu ook op. Op basis van tellingen van Sovon Volgelonderzoek is te zien welke soorten er zijn verdwenen en welke broedvogels het snelst uitsterven.

    De toename van bedreigde broedvogels komt deels doordat er meer vogels zijn meegenomen in de telling. Waar er in 2004 nog 183 soorten broedvogels werden onderzocht, zijn er dit jaar een kleine tweehonderd soorten meegenomen. 87 soorten worden nu in hun voortbestaan bedreigd. De samenstellers van de lijst gaan uit van de cijfers die duizenden vrijwilligers en veldmedewerkers aanleveren.

    Negen soorten broedvogels zijn in Nederland uitgestorven, waaronder de goudplevier (Pluvialis apricaria) en de hop (Upupa epops). Daarnaast worden volgens de onderzoekerstien soorten ernstig bedreigd, waaronder de velduil (Asio flammeus), dwergmeeuw (Hydrocoloeus minutus) en grauwe kiekendief( Circus pygargus). De bedreigde broedvogels komen voor in onder meer bossen, bebouwd gebied, maar vooral in agrarisch gebied.

    Bron: NOS, 30-11-17
    https://nos.nl/artikel/2205294-meer-bedreigde-broedvogels-in-nederland.html

    Vogels op de rode lijst:
    http://minez.nederlandsesoorten.nl/content/rode-lijsten-soort-van-rode-lijst-vogels

    VERDWENEN:
    Griel (Burhinus oedicnemus)
    Goudplevier (Pluvialis apricaria)
    Zuidelijke Bonte Strandloper (Calidris alpina schinzii)
    Lachstern (Gelochelidon nilotica)
    Hop (Upupa epops)
    Klapekster (Lanius excubitor)
    Roodkopklauwier (Lanius senator)
    Duinpieper (Anthus campestris)
    Ortolaan (Emberiza hortulana)

    ERNSTIG BEDREIGD
    Korhoen (Lyrurus tetrix)
    Woudaap (Ixobrychus minutus)
    Kwak (Nycticorax nycticorax)
    Kemphaan (Calidris pugnax)
    Dwergmeeuw (Hydrocoloeus minutus)
    Velduil (Asio flammeus)
    Grauwe Kiekendief (Circus pygargus)
    Draaihals (Jynx torquilla)
    Kuifleeuwerik (Galerida cristata)
    Grauwe Gors (Miliaria calandra)

    BEDREIGD
    Zomertaling (Spatula querquedula)
    Pijlstaart (Anas acuta)
    Kwartelkoning (Crex crex)
    Strandplevier (Charadrius alexandrinus)
    Watersnip (Gallinago gallinago)
    Zwarte Stern (Chlidonias niger)
    Noordse Stern (Sterna paradisaea)
    Grauwe Klauwier (Lanius collurio)
    Grote Karekiet (Acrocephalus arundinaceus)
    Paapje (Saxicola rubetra)
    Tapuit (Oenanthe oenanthe)
    Europese Kanarie (Serinus serinus)

    KWETSBAAR
    Patrijs (Perdix perdix)
    Slobeend (Spatula clypeata)
    Wintertaling (Anas crecca)
    Zomertortel (Streptopelia turtur)
    Koekoek (Cuculus canorus)
    Porseleinhoen (Porzana porzana)
    Roerdomp (Botaurus stellaris)
    Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)
    Wulp (Numenius arquata)
    Dwergstern (Sternula albifrons)
    Grote Stern (Thalasseus sandvicensis)
    Steenuil (Athene noctua)
    Ransuil (Asio otus)
    Torenvalk (Falco tinnunculus)
    Boomvalk (Falco subbuteo)
    Wielewaal (Oriolus oriolus)
    Snor (Locustella luscinioides)
    Grote Lijster (Turdus viscivorus)
    Nachtegaal (Luscinia megarhynchos)

    GEVOELIG
    Wilde Zwaan (Cygnus cygnus)
    Brilduiker (Bucephala clangula)
    Middelste Zaagbek (Mergus serrator)
    Smient (Mareca penelope)
    Roodhalsfuut (Podiceps grisegena)
    Kleinst Waterhoen (Zapornia pusilla)
    Kraanvogel (Grus grus)
    Kleine Zilverreiger (Egretta garzetta)
    Steltkluut (Himantopus himantopus)
    Grutto (Limosa limosa)
    Oeverloper (Actitis hypoleucos)
    Tureluur (Tringa totanus)
    Drieteenmeeuw (Rissa tridactyla)
    Grote Mantelmeeuw (Larus marinus)
    Visdief (Sterna hirundo)
    Oehoe (Bubo bubo)
    Blauwe Kiekendief (Circus cyaneus)
    Zeearend (Haliaeetus albicilla)
    Raaf (Corvus corax)
    Matkop (Parus montanus)
    Zwarte Mees (Parus ater)
    Buidelmees (Remiz pendulinus)
    Boerenzwaluw (Hirundo rustica)
    Huiszwaluw (Delichon urbicum)
    Veldleeuwerik (Alauda arvensis)
    Graszanger (Cisticola juncidis)
    Spotvogel (Hippolais icterina)
    Kramsvogel (Turdus pilaris)
    Grauwe Vliegenvanger (Muscicapa striata)
    Huismus (Passer domesticus)
    Ringmus (Passer montanus)
    Gele Kwikstaart (Motacilla flava)
    Graspieper (Anthus pratensis)
    Keep (Fringilla montifringilla)
    Kneu (Carduelis cannabina)
    Roodmus (Carpodacus erythrinus)

    Bron: SOVON
    https://www.sovon.nl/rodelijst

  • The Yellow-Breasted Bunting is on the verge of extinction

    The Yellow-Breasted Bunting is on the verge of extinction

    The yellow-breasted bunting (Emberiza aureola), a once common migratory bird, has been driven to the brink of extinction in recent years. The species was reclassified as“critically endangered” on the red list of threatened species by the International Union for Conservation of Nature on Tuesday. The status is one step from the highest level of“extinct in the wild”. Back in 2000, the species was listed under“least concern”, the lowest level on the six-grade alert system.

    Every year, yellow-breasted buntings migrate from Siberia southward to wintering grounds in south China and southeast Asia in a journey spanning up to 4,000 kilometers. In South China’s Guangdong province, where the yellow-breasted bunting is considered a delicacy, there were records of consumption of the bird as early as the Qing Dynasty (1644-1911). Once restricted to a small area of southern China, the practice of cooking yellow-breasted buntings has become more widespread and popular due to increasing affluence, and now hunters have to travel widely to find sufficient birds, according to the IUCN.

    A man surnamed Liu from the northern province of Hebei told Beijing Youth Daily that back in 2000, more than 400 yellow-breasted buntings could be captured in one net; and in 2008, he could still catch more than 50 birds in one day. But today, only one or two can be caught in a day.

    Source: China.org.cn, 8 Dec 2017
    http://www.china.org.cn/china/2017-12/08/content_50092867.htm

  • The fungicide chlorothalonil may be implicated in bumblebee decline

    The fungicide chlorothalonil may be implicated in bumblebee decline

    Several species of bumblebees have recently experienced range contractions and possible extinctions. While threats to bees are numerous, few analyses have attempted to understand the relative importance of multiple stressors. Such analyses are critical for prioritizing conservation strategies. Here, we describe a landscape analysis of factors predicted to cause bumblebee declines in the USA. We quantified 24 habitat, land-use and pesticide usage variables across 284 sampling locations, assessing which variables predicted pathogen prevalence and range contractions via machine learning model selection techniques. We found that greater usage of the fungicide chlorothalonil was the best predictor of pathogen (Nosema bombi) prevalence in four declining species of bumblebees. Nosema bombi has previously been found in greater prevalence in some declining US bumblebee species compared to stable species. Greater usage of total fungicides was the strongest predictor of range contractions in declining species, with bumblebees in the northern USA experiencing greater likelihood of loss from previously occupied areas. These results extend several recent laboratory and semi-field studies that have found surprising links between fungicide exposure and bee health. Specifically, our data suggest landscape-scale connections between fungicide usage, pathogen prevalence and declines of threatened and endangered bumblebees.

    Source:
    Scott H. McArt et al. Proceedings of the Royal Society B, Published 15 November 2017.
    DOI: 10.1098/rspb.2017.2181
    http://rspb.royalsocietypublishing.org/content/284/1867/20172181

  • Het Ctgb en de neonicotinoïden of hoe een door Henk Tennekes beschreven ecologische ramp werkelijkheid werd

    Het Ctgb en de neonicotinoïden of hoe een door Henk Tennekes beschreven ecologische ramp werkelijkheid werd

    Het bewijs dat een nieuw type pesticide zeer schadelijk is, stapelt zich op. Maar de autoriteiten luisteren liever naar wetenschappers die op schoot zitten bij de agrochemische industrie. Het instorten van bijenkolonies in heel de Verenigde Staten en Europa. De massale sterfte van kikkers in meertjes in de Sierra Nevada. De woekering van infecties onder de Japanse rijstvis. De kaalslag onder vleermuizen. De dramatische daling in het aantal weidevogels. Al dit leed brengt de Nederlandse toxicoloog Henk Tennekes in verband met een nieuw type pesticiden, de neonicotinoïden.

    Deze middelen zijn sinds de jaren negentig big business. Hun grote voordeel voor boeren en tuinders: je hoeft ze niet over het land te spuiten, maar je kunt ze als coating op plantenzaadjes aanbrengen. Maar volgens Tennekes is hun grootschalige verspreiding op gewassen en in het oppervlaktewater de opmaat tot een ecologische ramp. De toxicoloog uit Zutphen vond een werkingsmechanisme dat ervoor zorgt dat chronische blootstelling aan neonicotinoïden al bij zeer kleine hoeveelheden fnuikende gevolgen heeft. Neurologisch onderzoek zou uitwijzen dat het zenuwgif zelfs de ontwikkeling van de menselijke foetus kan aantasten. Samen met wetenschappers uit Engeland en Australië publiceerde Tennekes onlangs een alarmistisch artikel in het Journal of Environmental Immunology and Toxicology. ‘Dit artikel is een wake-upcall voor de wereldautoriteiten, milieuagentschappen en wetenschappers,’ besloten de auteurs.

    Al snel nadat Bayer de eerste neonicotinoïde introduceerde, imidacloprid, kwamen er geruchten op gang over de fatale uitwerking ervan. Zuid-Franse imkers zagen tot hun ontzetting dat veel bijen de weg terug van hun zonnebloemen naar de korf niet konden vinden. De honingproductie liep met wel 60 procent terug. Het duurde niet lang tot er een verdachte in beeld kwam: het nieuwe middel Gaucho (met als werkzame stof imidacloprid) waarmee de zonnebloemen waren behandeld. De Franse overheid besloot het spul in 1999 als zaadcoating voor zonnebloemen te verbieden. In 2003 volgde een verbod op het gebruik bij maïszaadjes.

    Maar de officiële instanties in Europa en Nederland – de European Food Safety Authority (EFSA) en het Nederlandse College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) – houden tot op de dag van vandaag bij hoog en laag vol dat de neonicotinoïden in de toegelaten doseringen veilig zijn. Hoe dat kan? Het lijkt erop dat ze hun oor te veel hebben laten hangen naar wetenschappers met warme banden met de agrochemische industrie.

    In een brief aan het ministerie van Landbouw reageerde het College dat verantwoordelijk is voor de toelating van bestrijdingsmiddelen op de Nederlandse markt begin april ferm op twee net in Science verschenen artikelen die als een bom waren ingeslagen. Een Franse groep onderzoekers presenteerde in het toptijdschrift een experiment waarbij honingbijen die mochten eten van suikerwater waarin neonicotinoïden, met een zendertje werden uitgerust. Hun vermogen de weg naar huis te vinden, bleek ernstig aangetast, wat sterk bijdroeg aan het risico dat de kolonies instortten. Britse wetenschappers beschreven in het blad een tweede studie waarin hommels stuifmeel en suikerwater toegediend kregen met realistische doses imidacloprid. Het aantal nieuwe koninginnen nam met maar liefst 85 procent af. De slotboodschap van de auteurs was niet mis te verstaan. ‘Aangezien hommels waardevolle bestuivers van gewassen en wilde bloemen zijn en vitale componenten van ecosystemen, vinden wij dat er een dringende noodzaak is om waar ook maar mogelijk alternatieven te vinden voor het wijdverbreide gebruik van neonicotinoïde pesticiden op bloemgewassen,’ schreven ze.

    Die boodschap was niet aan het Ctgb besteed. Imidacloprid was in Nederland wel toegelaten, maar niet voor gewassen die aantrekkelijk zijn voor hommels en bijen, schreef de organisatie. ‘Deze bloottstellingsituatie zal zich in Nederland dus niet voordoen.’ Ook de studie met honingbijen wees het College af als irrelevant. De in de test gebruikte dosering zou vijf keer hoger zijn dan in het veld wordt aangetroffen. In een van zijn laatste optredens als staatssecretaris van Landbouw en Natuur beriep Henk Bleker zich in oktober nog op deze stellingname van het Ctgb om niet in actie te hoeven komen: er is ‘geen aantoonbaar of bewezen verband tussen de Nederlandse toelatingssituatie en de in de studies toegepaste doseringen; er zijn dus geen effecten geconstateerd, wat direct ingrijpen niet nodig maakt’, zei hij in de Tweede Kamer.

    Alleen rammelt de redenering van het College, zegt Jeroen van der Sluijs, universitair hoofddocent nieuwe risico’s aan het Copernicus Instituut van de Universiteit Utrecht, gasthoogleraar in Versailles en co-auteur van het hoofdstuk over de bijenkwestie in het binnenkort te verschijnen rapport ‘Late lessen uit vroege waarschuwingen’ van het Europees Milieuagentschap. ‘Het is faliekante onzin dat maïs, een gewas waarbij zaadbehandeling met neonicotinoïden is toegelaten in Nederland, niet aantrekkelijk is voor bijen. Ook bekijkt het Ctgb alleen de blootstelling via het stuifmeel en nectar van de behandelde gewassen. Maar neonicotinoïden komen ook in hoge concentraties voor in bijvoorbeeld paardebloemen en in het oppervlaktewater. De feitelijk in Nederland gemeten concentraties zijn hoger dan die in de Science-studies zijn gebruikt.’

    In een reactie zegt het College dat het allerminst ontkent dat maïs voor bijen aantrekkelijk is. Om de stelling te staven dat de blootstellingssituatie uit de Science-studie in Nederland niet voorkomt, beroept het zich erop dat de toelating voor imidacloprid op zaden van dit gewas is ingetrokken, overigens op verzoek van Bayer zelf. Blijkbaar zet dit bedrijf zijn kaarten op een andere neonicotinoïde. En die is in Nederland wél nog steeds toegelaten voor toepassing in maïszaden. Net als een neonicotinoïde van het bedrijf Syngenta.

    Met een buisje roze, met imidacloprid gecoat maïszaad zit Van der Sluijs op zaterdag 17 november in de kantine van natuurmuseum Naturalis. Een halve eeuw nadat Rachel Carson Silent Spring schreef, haar alarmerende boek over de dode lente ten gevolge van pesticidengebruik, maken wetenschappers op het sympo­sium Silent Spring de balans opnieuw op. En vrolijk is de stemming onder het gezelschap entomologen en milieukundigen niet. Op het eerste gezicht is er goed nieuws: het gebruik van pesticiden is in de afgelopen decennia enorm afgenomen. Alleen is het aantal gebruikte kilogrammen bestrijdingsmiddel een bedrieglijke maat. Want het spul is vele malen gevaarlijker geworden. Van der Sluijs heeft berekend dat imidacloprid zevenduizend maal giftiger is dan DDT, de stof waar Carson zich zo druk over maakte. In één roze maïszaadje uit zijn buisje zit genoeg gif om ruim tweehonderdduizend bijen te doden. En het leeuwendeel van het goedje komt niet in de plant maar in het milieu terecht. De Britse hoogleraar Dave Goulson, hoofdauteur van een van de publicaties in Science, schreef in een verklaring voor een onderzoekscommissie van het Britse parlement: ‘Er lijkt mij een urgente noodzaak te zijn om het lot te bepalen van de 98 procent van de neonicotinoïden die niet in het gewas belanden en uit te vinden welke impact ze hebben op het milieu.’

    Op het Silent Spring Symposium schetst de Wageningse hoogleraar natuurbeheer Frank Berendse een treurig beeld van de terugloop van grutto, kwartel, grauwe gors en gele kwikstaart. De populaties van twaalf van de vijftien vogelsoorten die typisch zijn voor het boerenlandschap zijn in de afgelopen dertig jaar met meer dan 50 procent gekrompen. De resultaten van zijn onderzoek suggereren een sterk verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Bij de discussie over hoe realistisch de concentraties in de Science-studies waren kan Berendse zich nog wel wat voorstellen. Maar een nieuwe publicatie in het oktobernummer van Nature komt naar zijn smaak aan veel van de mogelijke kritiek tegemoet. ‘Er is zeer urgent aandacht nodig voor de effecten van neonicotinoïden,’ besluit hij zijn presentatie.

    Ook Martina Vijver van het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden en samensteller van de in juni verschenen bestrijdingsmiddelenatlas heeft geen opwekkend nieuws. ‘Een groot deel van Nederland is probleemgebied wat betreft bestrijdingsmiddelen in het water,’ zegt ze. En als de normen worden overschreden, is imidacloprid vaak de boosdoener. Ze heeft becijferd dat twintig druppels ervan voldoende zijn om de maximaal toelaatbare hoeveelheid in één kilometer kanaal te halen. Vijver ziet ook mogelijke oplossingen. Aangezien de concentraties bestrijdingsmiddel veruit het hoogst zijn vlak langs de 350.000 kilometer sloot die Nederland heeft, is het wijs overal een teeltvrije zone van 1,5 meter langs de waterkant aan te houden.

    Intussen blijft het Ctgb keer op keer verkondigen dat wij ons in Nederland echt geen zorgen hoeven te maken: in een driehonderd pagina’s dik rapport uit 2011 waarin het de risico’s van neonicotinoïden beoordeelde; in een brief aan het ministerie over het werk van Henk Tennekes; in het schrijven over de Science-publicaties. En ook bij het Silent Spring symposium. Iemand van het Waterschap Rijnland, waar de vervuiling van het slootwater met neonicotinoïden het hoogst is, staat op in de zaal en doet een oproep hem te hulp te schieten door ze te verbieden. Maar een vertegenwoordiger van het Ctgb herhaalt in reactie daarop het standpunt dat er geen bewezen gevaren zijn.

    Wie zijn die mannen en vrouwen van stavast van het Nederlandse College? Het volumineuze rapport uit 2011 is gemaakt door vier beoordelaars, van wie slechts eentje gepromoveerd is, en die geen van allen belangrijke wetenschappelijke publicaties over het onderwerp op hun naam hebben. De baas van het Ctgb, Bart Bosveld, verlaat 1 januari 2013 de organisatie. Hij wordt de Europese directeur van de Society of Environmental Toxicology and Chemistry (SETAC), waar hij ook werkte voor hij naar het Nederlandse College kwam.

    ‘Dat heet de draaideur,’ zegt Van der Sluijs ironisch over de overstap van Bosveld. Het is een bekend probleem in de wereld van de milieu- en voedselveiligheid. Figuren op sleutelposities pendelen heen en weer tussen de controlerende instanties en organisaties die nauwe banden hebben met de partijen waarover ze toezicht moeten houden. Aan dat profiel voldoet SETAC zonder meer. De club staat zich erop voor onafhankelijk te zijn, maar is voor haar financiering sterk afhankelijk van de chemische industrie. Ook inhoudelijk blazen de agrochemische bedrijven een toontje mee. Neem de laatste workshop over de risicobeoordeling van pesticiden voor bestuivers die SETAC organiseerde. Een werknemer van Bayer CropScience mocht meeschrijven aan het verslag ervan. In de stuurgroep zat één wetenschapper in dienst van de universiteit tussen een meerderheid van vertegenwoordigers van overheidsinstanties en pesticidenfabrikanten als Bayer, BASF en Syngenta.

    Niet alleen de toezichthouders, ook wetenschappers met een belangrijke stem in het debat over neonicotinoïden hebben vaak korte lijntjes naar de agrochemische industrie. De organisatie waar Bosveld binnenkort directeur wordt, had tot voor kort Paul van den Brink als president. Bij Van den Brinks benoeming als buitengewoon hoogleraar chemische stress ecologie in 2008 vermeldde het persbericht van Wageningen Universiteit dat zijn leerstoel werd gefinancierd door een consortium van onder andere Syngenta, Bayer en Alterra, een aan de universiteit van Wageningen gelieerd onderzoeksinstituut. In zijn oratie bestreed Van den Brink de gedachte dat hij een vazal van de industrie was. Hij was niet afhankelijk van een broodheer, maar diende er vele, en zijn onafhankelijkheid was zijn hoogste goed. Toch bewijst hij met zijn wetenschappelijke werk de industrie keer op keer goede diensten, vindt Jeroen van der Sluijs. Van den Brink ontwikkelde een methode voor de inschatting van de risico’s van bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater. ‘De industrie heeft dankbaar gebruik gemaakt van zijn methode bij het oprekken van de normen voor neonicotinoiden,’ zegt Van der Sluijs. In 2011 publiceerden ecotoxicologen van de Universiteit van Leipzig een artikel waarin ze betoogden dat de door de Wageningse hoogleraar ontwikkelde methode faalt en dat schadelijke effecten al bij duizend keer lagere concentraties zijn geconstateerd. In een reactie laat Paul van den Brink weten dat het bij de financiering van zijn leerstoel door Bayer en Syngenta om geringe bedragen ging, ‘veertigduizend per jaar of zo’, en dat hier mei dit jaar een einde aan kwam. Zijn onafhankelijkheid is naar zijn eigen overtuiging niet in het geding. ‘Ik heb alleen onderzoek gedaan naar de methodiekontwikkeling, heb nooit hun producten gebruikt, maak de regels niet en doe de risicobeoordelingen niet. Dat is aan de overheid.’ Geen sprake van dat zijn werk heeft bijgedragen aan soepelere regelgeving, zegt Van den Brink. ‘Uiterst curieus dat Van der Sluijs dit op mijn bordje leg. Hij dicht mij nogal wat macht toe.’ Ook de kritiek van de Duitse ecotoxicologen legt hij naast zich neer. ‘Met een collega ben ik hun techniek op andere stoffen dan neonicotinoïden aan het toepassen. Dan komt eruit dat mijn methodiek in al deze gevallen juist gevoeliger is.’

    Dat mag zo zijn, maar juist bij neonicotinoïden spelen de effecten van chronische blootstelling een grotere rol dan bij andere stoffen, en die komen volgens Van der Sluijs en de toxicologen uit Leipzig niet goed naar voren bij toepassing van de methode Van den Brink. Feit is dat zijn methodiek in 2003 door Bayer werd toepast in een veldstudie waarbij de biologische effecten van imidacloprid werden gemeten. En op basis van die veldstudie besloot het Ctgb in 2008 om in plaats van de gangbare norm uit het waterkwaliteitsbeleid van 13 nanogram per liter een vele malen ruimere norm van 1470 nanogram per liter te hanteren voor de aanwezigheid van imidacloprid in slootwater.

    Een man met wie de pesticidenfabrikanten ook gelukkig kunnen zijn, is Tjeerd Blacquière. De medewerker van het Wageningse instituut Plant Research International mocht van voormalig staatssecretaris Bleker vorig jaar leidinggeven aan een poging al het onderzoek naar het verband tussen neonicotinoïden en bijensterfte nog een keer tegen het licht te houden. De conclusie: niets aan de hand. Alleen was Blacquière wel een wonderlijke keuze van Bleker. Weten­schappelijke publicaties over het thema had hij op dat moment nog niet op zijn naam. Onderzoeks­bureau Profundo legde voor televisieprogramma Zembla bloot dat Blacquières instituut projecten deed voor onder meer Bayer en Syngenta.

    Ook op het internationale toneel zijn er vele wetenschappers met uitstekende contacten binnen de industrie en de regelgevende instanties. Een spin in het web is Helen Thompson. Het gerucht ging al lang, maar uit onlangs met een beroep op de Freedom of Information Act bemachtigde documenten blijkt onomstotelijk dat zij betrokken was bij de studies op basis waarvan Bayer toelating op de markt vroeg voor imidacloprid. Systematisch verkondigt zij op vele belangrijke posities de boodschap dat neonicotinoïden veilig zijn. Ze was prominent lid van de commissie van de Europese voedselveiligheidsautoriteit die zich over het verband tussen pesticiden en bijensterfte boog. Alleen verzuimde ze haar werk voor Bayer te vermelden in haar Declaration of Interest. Nu leidt ze de groep binnen de Britse overheidsinstantie voor milieu- en voedselveiligheid die zich over de bijtjes ontfermt. Bovendien is ze voorzitter van de internationale Bee Protection Group, een club waarvan de adviezen het regelmatig tot officieel EU-beleid schoppen. Dit gezelschap heeft niet echt een reputatie van onafhankelijkheid opgebouwd. Op een bijeenkomst in oktober 2008 van de Bee Protection Group in Boedapest deed een groep onder leiding van een wetenschapper van BASF een opmerkelijk voorstel voor de aanpassing van de regelgeving voor het testen van bijenbroedsel. Het klinkt absurd, maar het staat echt in de sheets van de presentatie: pas bij een afname van maar liefst vijftig procent van het aantal eitjes is er reden voor verder testen. De voorzitter van de bijeenkomst dankte een imposant rijtje grote jongens in pesticidenland voor hun sponsoring: BASF, Bayer, Syngenta, Dow en Dupont.

    Bij het laatste jaarlijkse internationale symposium van de Bee Protection Group in Wageningen werd een nieuw bestuur aangesteld. Van de partij is onder meer Anne Alix. Ook zij is een typisch voorbeeld van een wetenschapper met een imposante collectie petten. Op dit moment is ze werkzaam bij het Franse ministerie van Landbouw op het bureau dat zich bezighoudt met regelgeving en toelating tot de markt van bestrijdingsmiddelen. Tegelijkertijd is ze bij Dow Agrosciences verantwoordelijk voor het risicobeleid. Bij de club waar Bart Bosveld naartoe gaat, stuurt ze eveneens de groep voor risicobeoordeling aan. Ook bij de Bee Protection Group ontfermde ze zich al over dit onderwerp. Voor al die organisaties doet ze werk waarover de industrie zich in haar handen kan wrijven. Zo was ze in 2010 co-auteur van een voorstel voor een methodiek van veiligheidsbeoordeling die alleen de acute giftigheid, niet de chronische toxiciteit meeneemt.

    Voorzitter Helen Thompson neemt ook een nieuw, Nederlands lid onder haar hoede, een medewerker van het Ctgb. Zorgwekkend dat de controlerende instanties, de fabrikanten van de producten die ze kritisch tegen het licht moeten houden en de clubs die de methodieken ontwerpen volgens welke ze moeten worden gecontroleerd zo bij elkaar op schoot zitten, vindt Van der Sluijs. ‘Op die manier keurt de slager niet alleen zijn eigen vlees, maar bepaalt hij ook nog eens de criteria waarop het beoordeeld wordt.’

    In een reactie laat Bart Bosveld weten dat het ‘delen van onze kennis in verschillende overleggen met uiteenlopende partijen’ een teken is dat het Ctgb zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus neemt. ‘Dit tast de onafhankelijkheid van het Ctgb niet aan. Dat geldt ook voor mijn overstap.’

    Checken of de keuring deugdelijk verloopt, is haast onmogelijk. Want de studies op grond waarvan de toelatingsinstanties in Europa en Nederland bestrijdingsmiddelen tot de markt toelaten, zijn niet openbaar. Henk Bleker kon daar alle begrip voor opbrengen. In oktober liet hij zich nog kennen als een uitstekend pleitbezorger van de zaak van de agrochemische industrie. ‘Het zijn vaak concurrerende aanvragers, en van hen kun je niet verlangen dat zij hun middelen, technieken enzovoorts aan de hele wereld prijsgeven. Alleen al het indienen van aanvragen is vaak een miljoenenzaak,’ zei hij in een commissievergadering. De scheidende staatssecretaris beriep zich op de Europese gewasbeschermingsverordening die bedrijven deze geheimhouding toestaat vanuit concurrentieoverwegingen. Alleen vergat hij even dat het Europese Hof van Justitie heeft geoordeeld dat deze onderzoeken belangrijke milieu-informatie bevatten en op grond van het Verdrag van Aarhus openbaar moeten zijn.

    Nieuwe ronde, nieuwe kansen. De boerenpartij CDA is gedecimeerd. Co Verdaas, de nieuwe staatssecretaris van Natuur en Milieu van de PvdA, is na Bleker als een verlosser binnengehaald. Vorige week nam de nieuwe Tweede Kamer een motie van D66 en de Partij voor de Dieren aan waarin de regering wordt verzocht bij toekomstige toelatingsbesluiten van het Ctgb de onderliggende studies openbaar te maken. Maar op verzoek van Verdaas hield de Kamer twee andere moties aan waarin om een moratorium op neonicotinoïden werd gevraagd. Hij vroeg de volksvertegenwoordiging geduld te oefenen. De EFSA werkt aan een herbeoordeling van de neonicotinoïden en in afwachting daarvan wilde hij geen overhaaste beslissingen nemen.

    Opvallend blekeriaans stelde Verdaas zich ook op ten aanzien van een motie die vroeg om wat Martina Vijver adviseerde bij het Silent Spring Symposium: een teeltvrije zone langs sloten. Dat ontraadde hij. ‘Op dit moment kijken wij wat op vrijwillige basis mogelijk is. Ik vraag de Kamer daarvoor even de tijd te nemen. De beste garantie voor teeltvrije zones wordt geboden wanneer die ook door de agrariërs zelf worden omarmd,’ zei de hoop van natuurminnend Nederland.

    En zo ploegt de boer voort en blijft hij roze vergif zaaien.

    Bron: Tomas Vanheste in Vrij Nederland, 3-12-17
    https://www.vn.nl/dode-bij-stille-lente/

  • We hebben niets geleerd van de boeken van Rachel Carson en Henk Tennekes

    We hebben niets geleerd van de boeken van Rachel Carson en Henk Tennekes

    We staan even stil bij twee belangrijke boeken. Het eerste boek heet “Silent Spring” van Rachel Carson. Deze in 1962 voor eerst verschenen bestseller beschrijft het angstwekkend scenario van een ‘stille lente’ omdat er geen vogels meer zijn. En die vogels zijn er niet meer vanwege het gebrek aan insecten als gevolg van het ongeremde gebruik van synthetische pesticiden. Het boek van Rachel Carson was een wake up call dat o.a. een rol heeft gespeeld in het uitbannen van het veel gebruikte, of moet ik zeggen misbruikte, DDT.

    Het tweede boek dateert uit 2010 en draagt de titel “The systemic insecticides: a disaster in the making” van de Nederlandse toxicoloog Dr. Henk Tennekes. Hij analyseert en documenteert daar de dramatische gevolgen voor onze ecologie van het toenemend gebruik van een groep pesticiden die zijn afgeleid van nicotine: de neonicotinoïden.

    De aanleiding voor de gedachte aan beide boeken, dat moge duidelijk zijn, is de berichtgeving over de zorgwekkende afname van de insectenstand in de wereld. Een in Duitsland uitgevoerd onderzoek laat een afname van 75% zien over de afgelopen 25 jaar. En denk niet dat dit een typisch Duits probleem is. Onder die insecten zijn de ook zo noodzakelijke bestuivende insecten wiens noeste arbeid van zonsopkomst tot zonsondergang een onmisbare schakel is in de landbouw. Er is een ecologische ramp ‘in de maak’ om de titel van het boek van Tennekes te gebruiken. Een ecologische ramp van ongekende omvang. Tennekes beschrijft in 2010 al dat er in China gebieden zijn waar zo weinig bestuivende insecten meer voorkomen dat de boeren gedwongen zijn om met de hand te bestuiven. Ik zie het al voor me. De agrariërs in onze schone polder zouden geen oog meer dicht doen, en niet alleen zij. We hebben niets geleerd sinds het boek van Carson net zoals we niets zullen leren van het boek van Tennekes of verontrustende berichten in de pers.

    Bron: Biocoherence, 10 november 2017

    Inverse Na/Ka balans bij kinderen dwingt tot nadenken.

  • The Algerian Nuthatch has declined markedly over the past 25 years

    The Algerian Nuthatch has declined markedly over the past 25 years

    New research has found that Algerian Nuthatch has declined markedly in one of its strongholds over the past 25 years. Algerian Nuthatch (Sitta ledanti) is, as its name suggests, endemic to Algeria. It is found only in the ancient, humid oak forests in the north of the country, occurring at just four known sites: Djebel Babor, Guerrouch Forest in Taza National Park, Tamentout Forest and Djimla Forest. The four sites are relatively close to each other and are all located in the Babor Mountains.

    The study, led by Riadh Moulaï, concentrated on assessing population size at Guerrouch Forest during the breeding season, by counting the number of territorial singing males and conducting a systematic search for nest sites. The results were then compared to population data collected in the early 1990s.

    The results showed a significant and worrying decline in the Algerian Nuthatch population at Guerrouch. The researchers found a very low population density of between one and two pairs of nuthatches per 10 hectares in the forest, a significant decline on the 2-3.1 pairs per 10 hectares noted in 1991 and the 3.25 pairs per 10 hectares in 1992. Moulaï and his team counted just 18 individuals in a 300-hectare section of surveyed forest, a stark contrast to the 91 individuals counted in an 800-hectare area of the same forest in 1991.

    Source: Bird Guides, 3 Dec 2017
    https://www.birdguides.com/articles/ornithology/algerian-nuthatch-in-decline/

  • The hen harrier remains on the brink of extinction as a breeding species in England

    The hen harrier remains on the brink of extinction as a breeding species in England

    The fifth UK and Isle of Man hen harrier (Circus cyaneus) survey was conducted in 2016, with the number of territorial pairs estimated at 575: a 13% decline since the previous survey in 2010. Comparison with the estimate from the 2004 survey, demonstrates a significant decline of 27% over the past 12 years. In Scotland, the population was estimated at 460 territorial pairs, this being 80% of all UK and Isle of Man pairs in 2016. The majority of these were found in the west, while Orkney and the Hebrides were the only areas of the country to show a slight increase in the number of pairs since 2010. The survey also revealed that the hen harrier remains on the brink of extinction as a breeding species in England, as the population fell from 12 pairs in 2010 to just four pairs in 2016.

    Source: RSPB – The State of the UK’s Birds 2017

  • The red-backed shrike and wryneck have disappeared from the English countryside

    The red-backed shrike and wryneck have disappeared from the English countryside

    The red-backed shrike (Lanius collurio), once widespread over much of England and Wales, declined steadily from the middle of the 19th century onwards until the last regularly-breeding pair disappeared from Santon Downham, Norfolk, in 1989. Since that time breeding has been sporadic. It appeared that colonisation of the Scottish Highlands might be ongoing, but this faltered as with the wryneck (Jynx torquilla) , now extinct as a breeding species in the UK . Red-backed shrikes are thought to have been lost from a decline in the availability of their large invertebrate prey due to agricultural change.

    Source: RSPB – The State of the UK’s Birds 2017

  • The Resilience of the Bee Hive

    The Resilience of the Bee Hive

    A recent assessment of higher tier studies on the toxicity and risks of neonics in honeybees by Solomon and Stephenson reported a colony-level NOAEC of 25 μg/kg (ppb) for imidacloprid and clothianidin. The toxicity of these insecticides to honeybees is however known to be reinforced with chronic exposure, and extrapolation of time-to lethal-effect toxicity plots compiled from published studies indicate that an imidacloprid level of 0.25 ppb, i.e. one-hundredth of the reported colony NOAEC, would kill a large proportion of bees nearing the end of their life.

    This huge discrepancy points to the impressive resilience of beehives in counteracting lethal effects of neonicotinoids, as long as the colony remains otherwise healthy with a productive queen that is able to maintain the colony population. The explicit connection between innate immunity loss and the neonicotinoids leading to infestation with a wide variety of pathogens appears to be the decisive factor that ultimately bring down stressed colonies.

    Drs Solomon and Stephenson responded to the letter from Dr. H Tennekes (“The Resilience of the Beehive” Journal of Toxicology and Environmental Health B 20: 316–386), as follows. Here we emphasize that our quantitative weight of evidence analyses were focused on the level of the honeybee colony. These colony-level responses include redundancy and resiliency as well as a number of possible sublethal effects of pesticides on the colony. We also note that the literature has shown that binding of neonicotinoid insecticides to the nicotinic acetylcholine receptor is reversible. The comments in this letter do not provide reasons to change our conclusions, that, as currently used in good agricultural practices as seed-treatments, imidacloprid, clothianidin, and thiamethoxam do not present significant risks to honeybees at the level of the colony.

    Sources:
    Henk A. Tennekes (2018): Letter to the editor “The resilience of the beehive”,
    Journal of Toxicology and Environmental Health, Part B, DOI: 10.1080/10937404.2017.1421425

    Keith R Solomon & Gladys L Stephenson (2018): Response to Tennekes
    (2018) “The Resilience of the Beehive” Journal of Toxicology and Environmental Health B 20: 316–386, Journal of Toxicology and Environmental Health, Part B

  • Hong Kong’s most endangered species

    Hong Kong’s most endangered species

    The black-faced spoonbill (Platalea minor) has the most restricted distribution of all spoonbills, and it is the only one regarded as endangered. There remain only about 3,300 spoonbills, and the species spends the mating season on small islands along the west coast of the Korean Peninsula and in China’s Liaoning province, the WWF says. “With such a small global population, the black-faced spoonbill is inherently vulnerable to extinction,” it says.

    The Hong Kong grouper (Epinephelus akaara) is vulnerable in part because it takes a relatively long time to reach maturity, so is more prone to overfishing than other species. The dire state of stocks and persistent overfishing may mean it faces extinction in the wild. For now, the spiny, blotchy species retains a grip in shallow coral communities and rocky reefs.

    The mules-foot fern (Angiopteris evecta) has been around since dinosaurs walked the Earth. Also called the “king fern” and “oriental vessel fern”, the plant can grow taller than a man, with fronds that can stretch to eight metres long. WWF Hong Kong says the mules-foot – one of the world’s largest ferns – also goes by the nickname Plantasaurus. Locally the fern has holdouts on Hong Kong Island and Tai Mo Shan in the New Territories. It can also be found across China – in Guangdong, Guangxi, Guizhou, Hunan, Hubei and Fujian provinces, the herbarium says.

    Another endangered plant, Grantham’s camellia (Camellia granthamiana) can reach a height of eight metres. The ornamental plant, with giant white flowers measuring more than 12 centimetres in diameter, was first discovered in Hong Kong in a ravine on Tai Mo Shan by the Agriculture, Fisheries and Conservation Department in 1955. Grantham’s camellia was named in honour of the then governor of Hong Kong, Sir Alexander Grantham. Classified as vulnerable, its population has been estimated at 3,000 mature plants sparsely distributed in the mountains. The plant’s future is threatened by illegal collection and land clearance. Attempts are being made to conserve and cultivate the plant, and examples of Grantham’s camellia can be seen growing at the Shing Mun Arboretum.