Auteur: Henk Tennekes

  • Monsanto schreef de EU-aanbeveling over glyfosaat

    Monsanto schreef de EU-aanbeveling over glyfosaat

    Het middel is de bestseller van de agrogigant Monsanto: goed voor miljarden omzet, mede doordat het buiten Europa wordt verkocht in combinatie met genetisch veranderde soja en mais die resistent is gemaakt (“Roundup Ready”) tegen het landbouwgif. In maart 2015 ontstaat een PR-crisis van existentiële aard, als IARC, de onderzoeksarm van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), een rapport uitbrengt dat het verdienmodel op z’n kop dreigt te zetten: glyfosaat, hoofdingrediënt van Roundup, veroorzaakt waarschijnlijk kanker bij mensen.

    Een van de sleutelstudies waar IARC zich op baseert is een onderzoek uitgevoerd door Monsanto zelf, uit 1983, en dat al in die tijd vraagtekens plaatst bij de veiligheid van het bestrijdingsmiddel. Voor de studie gaven Monsanto-onderzoekers muizen in een oplopende dosis glyfosaat. Het resultaat: gelinkt aan de dosis ontwikkelen onderzochte dieren vaker tumoren.

    ‘Omdat zulke tumoren zeer uitzonderlijk zijn bij muizen kan zo’n studie ons veel vertellen over het risico op kanker bij mensen’
    ‘Het gaat hier om tumoren die we bijna nooit zien bij muizen’, licht Kathryn Guyton van IARC toe over de telefoon vanuit haar kantoor in Lyon, Frankrijk. ‘Omdat zulke tumoren zeer uitzonderlijk zijn bij muizen kan zo’n studie ons veel vertellen over het risico op kanker bij mensen. In totaal geven twee studies met muizen zo’n wat wij noemen “positief” resultaat.’

    Naast de dierstudies suggereren volgens IARC ook meerdere studies bij mensen dat glyfosaat kankerverwekkend is. IARC weegt hierbij met name drie bevolkingsstudies – uit Zweden, Canada en de VS – zwaar mee. De onderzoeken tonen dat boeren die bestrijdingsmiddelen met glyfosaat op hun gewassen spuiten, vaker lymfeklierkanker krijgen.
    Maar op 12 november 2015 lijkt het er op dat de industrie opgelucht adem kan halen. ‘De wetenschap wint!!’, twittert Robb Fraley, hoofd technologie van Monsanto. De Europese voedselautoriteit EFSA komt die dag met haar oordeel: ‘Het is onwaarschijnlijk dat glyfosaat een kankerverwekkend gevaar vormt voor mensen.’ Goedkeuring van glyfosaat lijkt met het positieve oordeel van EFSA nog slechts een formaliteit. Maar waarom wijkt dit oordeel zo sterk af van IARC.

    Het antwoord op die vraag voert naar Duitsland; naar de Max-Dohrn-Strasse in Berlijn om precies te zijn. Daar, aan de oevers van de Spree, is het Duitse Bundesinstitut für Risikobewertung (BfR) gevestigd. Het is het BfR dat het rapport opstelt waar het oordeel van EFSA op is gebasseerd. Waarom het BfR? Het blijkt een keuze van de makers van glyfosaat die hernieuwde Europese toelating zoeken, verenigd in een consortium onder leiding van Monsanto: de Glyphosate Task Force (GTF). Het kiezen van het instituut is een recht dat een EU-verordening de makers biedt. Maar niet alleen bij de keuze voor het BfR draait de industrie aan de knoppen. Uit het vuistdikke rapport van het Duitse rijksinstituut valt op te maken dat de letterlijke tekst van de evaluatie is geschreven door de GTF, de industrie dus, aangevuld met commentaar van het BfR. En de invloed gaat nog verder. Het is ook de GTF die de selectie van wetenschappelijke literatuur heeft gemaakt. ‘Het is in Europa wettelijk zo geregeld dat de bedrijven die goedkeuring voor een bestrijdingsmiddel zoeken, zelf een dossier samenstellen’, vertelt Peter Clausing, als toxicoloog jarenlang werkzaam voor de Amerikaanse voedselautoriteit FDA, en nu onderzoeker bij het Duitse Pestizid Aktions-Netzwerk. ‘Het geeft deze bedrijven een grote invloed. Ze kunnen bepaalde studies benadrukken, terwijl andere weer naar de achtergrond verdwijnen.’ Welke studies Monsanto en consorten hebben geselecteerd? Het valt precies te achterhalen. De drie bevolkingsstudies die een toename van lymfeklierkanker bij boeren tonen, en volgens de WHO behoren tot de cruciale bewijslast, zijn door de GTF geschrapt. “Niet betrouwbaar” valt in het rapport te lezen, en “niet significant” in uitkomst, aldus de chemische industrie. Het zijn conclusies die het BfR accepteert, zo blijkt uit het commentaar dat zij later aan het document zal toevoegen.

    Naast bevolkingsstudies, presenteert de GTF een selectie aan dierstudies. Daarbij zitten ook de twee studies met muizen en zeldzame tumoren; studies die voor de WHO zeer zwaar hebben gewogen. Maar de GTF presenteert aan het BfR nog drie andere studies met muizen. Het gaat om onderzoeken die zijn uitgevoerd door de industrie, en waarvan de uitkomsten tot op de dag van vandaag bedrijfsgeheim vormen. De resultaten zijn enkel vertrouwelijk gedeeld met het BfR.

    Kathryn Guyton van IARC: ‘Op basis van het rapport van de BfR kan ik niet zeggen wat de uitkomsten van deze dierstudies zijn. Toen wij als IARC aan ons rapport over glyfosaat werkte hebben we de industrie gevraagd de data hiervan openbaar te maken. Toen we nul op het rekest kregen, besloten we ze niet meenemen in onze evaluatie. IARC werkt namelijk alleen met studies die publiek toegankelijk zijn, en door onafhankelijke wetenschappers kunnen worden beoordeeld.’
    Vanuit de Duitse Bondsdag, dat in Berlijn hemelsbreed op een aantal kilometer afstand van het BfR-kantoor ligt, de Spree volgend langs het Tiergartenpark, komt een ander verhaal. ”Medewerkers van het BfR hebben mij verteld dat ze min of meer continu in contact hebben gestaan met de Glyphosate Task Force”, vertelt Harald Ebner, Duits parlementariër voor Bündnis 90/Die Grünen. ”Ze noemden dit een ‘normaal en noodzakelijk’ onderdeel van de evaluatie.” Harald Ebner ontdekte ook nog iets anders. De Glyphosate Task Force kreeg inzage in een vertrouwelijke versie van het BfR-rapport. Het gaat om de allerlaatste versie waar Roland Solecki’s afdeling aan werkte, verstuurd naar de industrie op 2 februari 2015, twee maanden voordat EFSA het definitieve rapport ontvangt. Het zijn feiten die Ebner op het spoor komt doordat medewerkers hem wijzen op een studie waarbij Monsanto betrokken is, en in een voetnoot het concept BfR-rapport wordt genoemd. Harald Ebner plaatst grote vraagtekens bij de onafhankelijkheid van het BfR als onderzoeksinstituut. Volgens hem zijn de banden met de industrie te nauw. Hij vindt dan ook dat op basis van de Duitse evaluatie glyfosaat niet zou mogen worden goedgekeurd voor de hele EU.
    Bron:MO, 18-05-16
    http://www.mo.be/analyse/monsanto-schrijft-de-eu-aanbeveling-over-glyfosaat-geen-wonder-dat-lymfenklierkanker

  • Belangenconflicten bij ‘gerespecteerde wetenschappers’ die glyfosaat hun zegen geven

    Belangenconflicten bij ‘gerespecteerde wetenschappers’ die glyfosaat hun zegen geven

    Het kwam als een geschenk uit de hemel: in de week dat de EU een besluit moet nemen over de voortzetting van de toelating van glyfosaat – wereldwijd de meestgebruikte onkruidverdelger – oordeelde een VN-panel dat het onwaarschijnlijk is dat de hoeveelheden die de mens ervan binnenkrijgt kankerverwekkend zijn. Dat oordeel verraste, want vorig jaar had het Internationale Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC) juist geconcludeerd dat glyfosaat waarschijnlijk kankerverwekkend is. Er zit geen spanning tussen die twee oordelen, haastten beide organisaties zich te verklaren. Want bij IARC ging het over het mogelijke gevaar van glyfosaat, bij het VN-panel over het risico dat we feitelijk blootgesteld zijn aan ziekmakende hoeveelheden.

    Kunnen de experts van de EU-lidstaten die vandaag en morgen bijeenkomen nu met gerust hart de toelating van glyfosaat verlengen?

    Dat is te vroeg gejuicht. Critici trekken de onafhankelijkheid van het VN-panel ernstig in twijfel. De voorzitter van het panel, professor Alan Boobis, is vice-president van een instituut dat in 2012 ruim een half miljoen ontving van Monsanto, het bedrijf dat Roundup, de herbicide met glyfosaat als bestanddeel, maakt.

    Bovendien staat glyfosaat niet alleen als mogelijk kankerverwekkende stof in het beklaagdenbankje: het zou ook een hormoonverstorende stof zijn die tot andere ziekten (als diabetes) kan leiden. Een kwestie waar Boobis zich ook mee bemoeit. Onlangs bezocht hij met een groep ‘bekende wetenschappers’ de eurocommissaris voor gezondheid Vytenis Andriukaitis om hem op het hart te drukken dat alle onrust over hormoonverstorende stoffen zwaar overdreven is en dat de Europese Commissie moet vermijden zich bij de regulering te bezondigen aan pseudowetenschap.

    Alleen is het de vraag hoe zuiver wetenschappelijk de motieven zijn van de ‘well established and respected scientists’ die zich bij Andriukaitis meldden. Ze schurken dicht tegen de industrie aan. Zo heeft professor Helmut Greim consultancywerk voor Monsanto verricht én zit hij in het Glyphosate Expert Panel van het bedrijf.

    En dat is misschien nog wel het beangstigendste aan de controverses rondom glyfosaat en hormoonverstorende stoffen: op wiens oordeel kunnen we nog vertrouwen als instituties die als onafhankelijk scherprechter moeten dienen niet vrij zijn van belangenverstrengeling?

    Bron: Tomas Vanheste in de Correspondent, 18-05-16
    https://decorrespondent.nl/4534/Belangenconflicten-bij-gerespecteerde-wetenschappers-die-glyfosaat-hun-zegen-geven/209171556-28cda7ae

  • Es sind kaum noch Bestäuber unterwegs

    Es sind kaum noch Bestäuber unterwegs

    Es ist Frühling, Mai, warm, sonnig – und unter einem Kirschbaum in Vollblüte ist genau eine Hummel zu hören! Es müssten Hunderte sein. Dazu Bienen, Bienen, Bienen! Genau eine Honigbiene habe ich bei einer etwas genaueren Nachsuche noch entdecken können. Einige Wildbienenarten tummeln sich immerhin noch an den Wildblumen am Teich – aber im Kirschbaum ist es viel zu still. Ich mache mich auf an den Waldrand. Dort stehen weitere Bäume. Aber auch hier das gleiche: Es sind kaum Insekten unterwegs. Das ist alarmierend. Und die Beobachtung ist leider keine Ausnahme. Ein NRZ-Leser hat mir genau solche Beobachtungen auch geschildert: Es sind kaum noch Bestäuber unterwegs – was wird das für die Obsternte bedeuten?

    Der Rückgang der Insekten
    Das Thema wird mittlerweile auch von den großen Medien aufgegriffen. Nach dem Bienensterben, das zu recht in den Vorjahren immer mal wieder thematisiert wurde, hat sich jetzt auch die FAZ unter dem Titel „Der Trend geht zur sauberen Windschutzscheibe“ mit dem dramatischen Rückgang der Insekten befasst.

    Dabei geht es zum einen um den Rückgang der Arten. Artensterben heißt Verlust von Biodiversität. Was wir in den Tropen immer wieder beklagen, haben wir als Problem genau so dick vor der eigenen Haustür liegen. Nur geht es hier nicht um Leoparden und Löwen sondern um Florfliegen, Schmetterlinge oder Käferarten. Die FAZ hat Forschungsergebnisse aus einem Naturschutzgebiet bei Regensburg zitiert: Wo Mitte des 19. Jahrhunderts noch 117 Schmetterlingsarten festgestellt werden konnten, sind es heute nur noch 71. Ein dramatischer Verlust, selbst in einem Naturschutzgebiet.

    Der zweite wichtige Faktor ist der Rückgang der Insektenzahlen insgesamt. Bei Krefeld werden zu Forschungszwecken Insekten in Sammelfallen erfasst. Ein Ergebnis: 1989 wurden in einer Falle noch rund 1,4 Kilogramm gefangen. 2013 nur noch 294 Gramm.

    Eine tödliche Wüste für Insekten
    Die Ursachen sind bekannt und es überrascht kaum, dass die intensive Nutzung der Landschaft mit der Monotonisierung der Flächen ganz obenan steht. Wo es an Blüten fehlt, können keine Blütenbestäuber leben. Und so wird das Einheitsgrün unserer Feldflur zur tödlichen Wüste für eine Vielzahl von Insekten. Dazu kommt noch, dass ständig mit der Giftspritze hantiert wird. Allein 2014 wurden nach Angaben des Verbraucherschutzministeriums über 117.000 Tonnen Spritzmittel verkauft. Die Anzahl der Mittel und Wirkstoffe nimmt ständig und stetig zu. Vor allem im Bereich Landwirtschaft, aber auch im Forst und in Gärten kommen solche Gifte zum Einsatz – und wohl nicht zu knapp. Denken Sie selbst in ihrem Umfeld auch immer daran: Wer spritzt, tötet!

    Beim Umweltbundesamt liest man auf der Homepage zum Thema „Pflanzenschutzmittel in der Landwirtschaft“ im fett gedruckten ersten Absatz: „Während der Absatz von Pflanzenschutzmitteln in den letzten Jahren weiter angestiegen ist, nimmt die Biodiversität in der Agrarlandschaft weiter ab.“

    Kein Wunder, dass es da auch bei uns nicht mehr unter dem Kirschbaum summt und brummt.

    Es brummt nicht mehr | WAZ.de – Lesen Sie mehr auf:
    http://www.derwesten.de/staedte/nachrichten-aus-kleve-und-der-region/es-brummt-nicht-mehr-id11805515.html#plx1383645559

  • Wildlife campaigner Mary Colwell is raising awareness of the declining numbers of curlew

    Wildlife campaigner Mary Colwell is raising awareness of the declining numbers of curlew

    A WILDLIFE campaigner is in the middle of a 500-mile challenge to walk across Britain and Ireland to raise awareness of the declining numbers of curlew (Numenius arquata). Mary Colwell is also a writer and producer and she began her walk on April 21 in Ireland and will finish on May 29 in Lincolnshire. Mary is raising awareness of the endangered curlew, which became a red-listed species in December 2015. She said: “Curlew were once so common it was taken for granted they would always grace our wilderness, but in Ireland they have declined by 97 per cent, in Wales by 80 per cent and an average of 50 per cent throughout England over the last 20 years.”

    Read more: http://www.staffordshirenewsletter.co.uk/Walk-raise-awareness-plight-curlew-visit/story-29269338-detail/story.html#ixzz48qTI4XhB
    Follow us: @StaffsNews on Twitter | StaffordshireNewsletter on Facebook

  • The Critically Endangered Balearic Shearwater is on track to become extinct

    The Critically Endangered Balearic Shearwater is on track to become extinct

    Seabirds are currently recognised as one of the most threatened groups of birds, but in Europe one species is particularly at risk of extinction: the Critically Endangered Balearic Shearwater (Puffinus mauretanicus). Although its migration occurs along the highly populated Atlantic coast (including Portugal, France and southern Britain), this long-lived seabird has been notoriously difficult to study, especially since its breeding grounds on the Spanish Balearic Islands in the Mediterranean are often inaccessible. Ten years ago, the alarm was raised by scientists with a study predicting that the species was on track to become extinct in approximately 40 years. In 2004, the population was estimated to only number 2,000 breeding pairs.
    Source: Birdwatch, 16 May 2016
    http://www.birdwatch.co.uk/channel/newsitem.asp?c=11&cate=__16319

  • B.C. birds in decline: 5 to watch

    B.C. birds in decline: 5 to watch

    Publication of the BC Breeding Bird Atlas is raising alarms about the decline of several species across the province. The atlas is one of the largest citizen-science initiatives in B.C. history. More than 1,300 volunteers contributed some 60,000 hours of their time over eight years to document the status of birds. A sampling includes:

    Tree Swallow (Tachycineta bicolor)

    Surveys indicate the species is in gradual decline, like other birds feeding on flying insects. The decline is slightly more pronounced in B.C. than Canada generally. Possible causes: insect declines due to pesticides, loss or pollution of wetlands, loss of nesting cavities due to scarcity of old trees (clear-cut logging, fire suppression) and competition from alien species such as the European starling.

    Pacific Wren (Troglodytes pacificus)

    B.C. has a high global responsibility for this species. Guidelines for forest operations developed elsewhere should be evaluated for this province. This species is at its highest densities in wetter and older forests with considerable structure in terms of logs, snags and debris on the forest floor. Areas of harvested forest stands are less suitable.

    Western meadowlark (Sturnella neglecta)

    Significant declines, like other grassland bird species in North America. The species has lost more than half its Canadian population since 1970. The population trend in B.C. is similar but slightly less steep than the national trend. The causes of this decline are likely habitat loss and degradation, both on the breeding grounds in Canada and the wintering grounds in the U.S. and Mexico.

    Rufous hummingbird (Selasphorus rufus)

    While the species’ range is expanding, populations have declined significantly since the 1970s for reasons not well understood. Monitoring of population trends should continue, with banding. Research should include the effects of landscape changes on population distribution and breeding success.

    Evening grosbeak (Hesperiphona vespertina)

    Across Canada, populations have shown a large decrease since 1970, likely due to factors such as large-scale forestry, disease and reduced food due to fewer forest insect infestations, especially spruce budworm. It may be that the recent decline is largely a return to normal levels as budworm outbreaks have declined. Collisions with moving cars are a common source of mortality.

    Source: Vancouver Sun, 16 May 2016
    http://vancouversun.com/news/local-news/b-c-birds-in-decline-5-to-watch

  • Große Sorge um den Weißstorch in der Lausitz

    Große Sorge um den Weißstorch in der Lausitz

    Im Altkreis Senftenberg sind herbe Verluste bei den Weißstörchen (Ciconia ciconia) zu beklagen. Fast die Hälfte der Brutpaare ist den angestammten Horsten in den zurückliegenden 20 Jahren fern geblieben. Und der Nachwuchs in den Nestern ist viel zu gering, um den Bestand dauerhaft zu sichern. Der Abwärtstrend bei den Weißstörchen ist in Südbrandenburg dramatisch. Im Jahr 1996 sind noch 404 Horstpaare im Süden – also zwischen Königswusterhausen und Ort rand – gezählt worden. Für 2015 stehen 329 Paare zu Buche. Das ist ein Rückgang um 18 Prozent. Im Altkreis Senftenberg wird der Weißstorch deutlich stärker verdrängt. 1994 waren noch 24 Brutpaare eingeflogen. 2015 sind lediglich 13 gezählt worden (Rückgang um 46 Prozent). Zur langfristigen Bestandssicherung des Großvogels in der Region müssen die Paare wenigstens zwei Junge im Jahr durchbringen. Südbrandenburg erreicht das mit 1,93 Tieren nur noch denkbar knapp. Das schlechteste Storchenjahr seit Beginn der jährlichen Aufzeichnungen 1963 ist das Jahr 2013 gewesen. Von 725 geschlüpften Jungstörchen sind nur 270 flügge geworden (37,2 Prozent). Mit einer Nachwuchsquote von 0,78 ist das Jahr ein Totalausfall im Nest gewesen. 2014 waren 1,75 Junge pro Paar zu verzeichnen. Im vorigen Jahr folgte mit nur 1,5 Jungen pro Horstpaar ein weiterer Tiefschlag. Das letzte Erfolgsjahr liegt sehr lange zurück – 2008 mit 2,1 Jungen. Die intensive Landwirtschaft mit dem Einsatz von Pflanzenschutz- und auch wachstumsfördernden Mitteln drängt Kleinstlebewesen in Feld und Flur zurück.
    Quelle:
    Lausitzer Rundschau, 22. April 2016
    http://www.lr-online.de/regionen/senftenberg/Grosse-Sorge-um-den-Weissstorch-in-der-Lausitz;art1054,5452520

  • Bezorgde omwonenden van de lelieteelt in Gaasterland worden met een kluitje in het riet gestuurd

    Bezorgde omwonenden van de lelieteelt in Gaasterland worden met een kluitje in het riet gestuurd

    Al vele jaren worden er in Gaasterland lelies geteeld. Koos van der Avoird uit Lemmer is een grote teler die verschillende percelen in gebruik heeft. Waarom in Gaasterland? ,,Daar is de zuurgraad van de grond heel laag. Veel lager dan bij voorbeeld in de Noordoostpolder. En dat maakt die grond hier heel geschikt voor bepaalde soorten lelies’’, zo vertelde hij tijdens een praatavond over lelieteelt in Wijckel. Dorpsbelang merkte dat er veel vragen leven onder de bevolking en riep de hele regio op vragen te stellen en mee te praten. Grote percelen land, minder vogels, vlinders en insecten, dode sloten. Inwoners van Gaasterland zien hun leefomgeving veranderen als gevolg van de intensieve landbouw. Juist dit jaar wordt er begonnen met een groot landelijk onderzoek naar de blootstelling van de omwonenden aan bestrijdingsmiddelen uit de landbouw. Pas eind 2018 zijn de resultaten bekend. Waarom dat onderzoek nu pas is gestart, terwijl klachten over lelie- en bollenteelt al jaren bekend zijn? Onderzoeksleider Mark Montforts (RIVM): ,,Er werd altijd van uit gegaan dat, als de mensen die er mee werken er geen last van hebben, de omwonenden ook veilig zijn. Pas na klachten in de media kwam de Gezondheidsraad twee jaar geleden met het advies aan de minister om die blootstelling toch eens goed te onderzoeken.’’ Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat er in 2014 in Nederland in 79 gemeenten in totaal 5215 hectares lelies werden geteeld. Midden-Drenthe was de gemeente met de meeste hectares (702), gevolgd door Noordoostpolder (516). Heerenveen stond toen als hoogstgenoteerde Friese gemeente op de tiende plek met 125 hectare, De Fryske Marren stond op plek 14 met 104 hectare.
    Bron: Leeuwarder Courant, 11-03-16
    http://www.lc.nl/plus/Zorgen-over-lelieteelt-in-Gaasterland-21189250.html

  • Het aantal bijen in Amerikaanse landbouwgebieden is in de afgelopen jaren flink afgenomen

    Het aantal bijen in Amerikaanse landbouwgebieden is in de afgelopen jaren flink afgenomen

    De bijenpopulatie slonk in belangrijke landbouwregio’s zoals Californië, de Great Plains en rondom de rivier de Mississippi met 23 procent in de periode tussen 2008 en 2013. Deze afname van het aantal bijen kan op termijn gevolgen hebben voor Amerikaanse voedselproductie, omdat veel gewassen afhankelijk zijn van bestuiving door de insecten. Dat melden onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.
    Bron: Nu.nl, 24-12-15
    http://www.nu.nl/wetenschap/4187452/aantal-bijen-neemt-sterk-af-in-amerikaanse-landbouwgebieden.html

  • Onderzoek naar risico’s bestrijdingsmiddelen voor omwonenden rond bollenvelden

    Onderzoek naar risico’s bestrijdingsmiddelen voor omwonenden rond bollenvelden

    Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) start met een groot onderzoek naar de blootstelling van mensen aan gewasbeschermingsmiddelen die in de buurt wonen van gebieden waar deze veel worden gebruikt. Het onderzoek wordt gefaseerd uitgevoerd, te beginnen bij omwonenden rond bollenvelden. Het onderzoek wordt dit jaar opgezet en de eerste metingen worden vanaf 2016 gedaan. De resultaten worden door het RIVM gebruikt om de technieken verder te verfijnen. Het blootstellingsonderzoek wordt daarna uitgebreid naar omwonenden van fruitboomgaarden en andere gewassen waar intensief gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Over drie jaar moet de eerste fase van het onderzoek zijn afgerond en bekend zijn in welke mate omwonenden blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen. Toxicoloog Henk Tennekes verwacht dat de gegevens door de gewasbeschermingsmiddelenindustrie zullen worden aangegrepen om verder gebruik van pesticiden te verdedigen. De meeste niveaus van blootstelling blijven waarschijnlijk beneden de vastgestelde veiligheidsnormen. Daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat voor de giftigheid van sommige pesticiden zoals de neonicotinoïden geen drempelwaarden bestaan en stapelingseffecten worden onderschat.
    Gebruikte bron: Rijksoverheid,18-05-2015
    https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2015/05/18/onderzoek-naar-risico-s-bestrijdingsmiddelen-voor-omwonenden