Auteur: Henk Tennekes

  • Hommels worden minder groot onder invloed van een veel gebruikte insecticide, zo blijkt uit een nieuw onderzoek

    Hommels worden minder groot onder invloed van een veel gebruikte insecticide, zo blijkt uit een nieuw onderzoek

    De groei van de larven van hommels wordt ernstig verstoord door pyrethroïden, synthetische insecticiden die veel worden ingezet in de land- en tuinbouw tegen vliegende insecten, kakkerlakken en termieten. De hommels worden daardoor mogelijk minder goed in het verzamelen van nectar en het verspreiden van stuifmeel. Dat melden Britse onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Journal of Applied Ecology. De wetenschappers bestudeerden de groei van hommels in hun laboratorium. De kolonies van sommige dieren werden bespoten met pyrethroïden, andere hommels werden niet blootgesteld aan de insecticiden. De ontwikkeling van de insecten werd in de gaten gehouden door de grootte van de kolonies te meten en individuele hommels te wegen met behulp van speciale apparatuur. Uit het onderzoek blijkt dat de larven van de insecten aanzienlijk minder groot worden door de invloed van pyrethroïden. Volgens hoofdonderzoeker Mark Brown kan het effect van de veel gebruikte insecticiden grote gevolgen hebben voor de natuur. “Hommels zijn essentieel voor onze voedselketen, dus het is van groot belang dat we begrijpen hoe de groei van wilde hommels wordt beïnvloed door de chemicaliën die we op het land spuiten”, verklaart hij op nieuwssite ScienceDaily.

    De groei van de larven van hommels wordt ernstig verstoord door pyrethroïden, synthetische insecticiden die veel worden ingezet in de land- en tuinbouw tegen vliegende insecten, kakkerlakken en termieten. De hommels worden daardoor mogelijk minder goed in het verzamelen van nectar en het verspreiden van stuifmeel. Dat melden Britse onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Journal of Applied Ecology. De wetenschappers bestudeerden de groei van hommels in hun laboratorium. De kolonies van sommige dieren werden bespoten met pyrethroïden, andere hommels werden niet blootgesteld aan de insecticiden. De ontwikkeling van de insecten werd in de gaten gehouden door de grootte van de kolonies te meten en individuele hommels te wegen met behulp van speciale apparatuur. Uit het onderzoek blijkt dat de larven van de insecten aanzienlijk minder groot worden door de invloed van pyrethroïden. Volgens hoofdonderzoeker Mark Brown kan het effect van de veel gebruikte insecticiden grote gevolgen hebben voor de natuur. “Hommels zijn essentieel voor onze voedselketen, dus het is van groot belang dat we begrijpen hoe de groei van wilde hommels wordt beïnvloed door de chemicaliën die we op het land spuiten”, verklaart hij op nieuwssite ScienceDaily.

    “Onze resultaten wijzen uit dat pyrethroïden ervoor zorgen dat de hommels kleiner zijn als ze uit hun eitjes komen.”

    Dat is verontrustend, vindt hij. “Het formaat van werkers in het veld is namelijk een belangrijke component van het succes van een kolonie: kleinere bijen zijn minder efficiënt bij het verzamelen van nectar en bestuiven van bloemen.”

    Bron: NU.nl/Dennis Rijnvis
    http://www.nu.nl/wetenschap/3681022/hommels-worden-kleiner-insecticide.html

  • Gegen das tägliche Gift – was der Bauerssohn Friedrich Haalck unter dem Titel „Pestizide, nein danke!“ auf 165 Buchseiten zusammengefasst hat, lässt mehr als aufhorchen

    Gegen das tägliche Gift – was der Bauerssohn Friedrich Haalck unter dem Titel „Pestizide, nein danke!“ auf 165 Buchseiten zusammengefasst hat, lässt mehr als aufhorchen

    „Geschafft!“, sagt Friedrich Haalck und klappt den Deckel seines druckfrischen Buches zu. Der Leher ist zufrieden mit dem, was er in mehr als dreijähriger Arbeit recherchiert und aufbereitet hat. Jetzt muss seine Botschaft nur noch in der Landwirtschaft ankommen: Auf Pestizide komplett zu verzichten.
    Das, was der Bauerssohn unter dem Titel „Pestizide, nein danke!“ wissenschaftlich aufbereitet und leicht verständlich auf 165 Buchseiten zusammengefasst hat, lässt mehr als aufhorchen. Es geht um die Verwendung von Giften, Pestiziden, in der Landwirtschaft. „Der gezielte Chemiekalieneinsatz, die sogenannte Sikkation, hat sich in den vergangenen Jahren auch in Dithmarschen breit gemacht, weitgehend unbemerkt von der Öffentlichkeit“, sagt Haalck.

    „Geschafft!“, sagt Friedrich Haalck und klappt den Deckel seines druckfrischen Buches zu. Der Leher ist zufrieden mit dem, was er in mehr als dreijähriger Arbeit recherchiert und aufbereitet hat. Jetzt muss seine Botschaft nur noch in der Landwirtschaft ankommen: Auf Pestizide komplett zu verzichten.
    Das, was der Bauerssohn unter dem Titel „Pestizide, nein danke!“ wissenschaftlich aufbereitet und leicht verständlich auf 165 Buchseiten zusammengefasst hat, lässt mehr als aufhorchen. Es geht um die Verwendung von Giften, Pestiziden, in der Landwirtschaft. „Der gezielte Chemiekalieneinsatz, die sogenannte Sikkation, hat sich in den vergangenen Jahren auch in Dithmarschen breit gemacht, weitgehend unbemerkt von der Öffentlichkeit“, sagt Haalck.

    Quelle: Boyens Zeitungen, 09.01.2014
    http://zeitungen.boyens-medien.de/aktuelle-nachrichten/zeitung/artikel/gegen-das-taegliche-gift.html

  • De bedroevende stand van de biodiversiteit in Vlaanderen

    De bedroevende stand van de biodiversiteit in Vlaanderen

    Bij dit jaareinde is het interessant eens stil te staan bij de kennis over de huidige biodiversiteit in Vlaanderen. De meeste gegevens voor Vlaanderen worden bij elkaar gezocht en geïnterpreteerd door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (www.inbo.be). Van het totale geschatte soortenaantal van ongeveer 40.000 in ons gewest, heeft dit Instituut er 1996 onder de loep genomen. Het gaat om amfibieën, broedvogels, dagvlinders, hogere planten, libellen, loopkevers, reptielen, sprinkhanen, vissen en waterwantsen. Van die 1996 zijn er op dit ogenblik 960 soorten niet in gevaar, 411 bijna in gevaar, 124 kwetsbaar, 142 bedreigd, 177 ernstig bedreigd, 139 regionaal uitgestorven en van 43 soorten waren er onvoldoende gegevens bekend om een status te kunnen opmaken. Zonder in te gaan op technische details is het dus duidelijk dat ongeveer een kwart van de onderzochte soorten in gevaar is en het risico loopt om op termijn uit te sterven of minstens zwaar achteruit te gaan.

    Bij dit jaareinde is het interessant eens stil te staan bij de kennis over de huidige biodiversiteit in Vlaanderen. De meeste gegevens voor Vlaanderen worden bij elkaar gezocht en geïnterpreteerd door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (www.inbo.be). Van het totale geschatte soortenaantal van ongeveer 40.000 in ons gewest, heeft dit Instituut er 1996 onder de loep genomen. Het gaat om amfibieën, broedvogels, dagvlinders, hogere planten, libellen, loopkevers, reptielen, sprinkhanen, vissen en waterwantsen. Van die 1996 zijn er op dit ogenblik 960 soorten niet in gevaar, 411 bijna in gevaar, 124 kwetsbaar, 142 bedreigd, 177 ernstig bedreigd, 139 regionaal uitgestorven en van 43 soorten waren er onvoldoende gegevens bekend om een status te kunnen opmaken. Zonder in te gaan op technische details is het dus duidelijk dat ongeveer een kwart van de onderzochte soorten in gevaar is en het risico loopt om op termijn uit te sterven of minstens zwaar achteruit te gaan.

    De zwaarste achteruitgang wordt vastgesteld in landbouwgebied en in oppervlaktewateren als beken en poelen, en in (natte) heidegebieden. Het pleidooi van de wetenschappelijke wereld om de biodiversiteit vooruit te helpen is al jaren hetzelfde: meer en grotere natuurgebieden maken (want daar houdt de soortenrijkdom min of meer stand), meer inspanningen doen om de versnippering en verdwijning van goede leefgebieden tegen te gaan, de landbouw vergroenen, het oppervlaktewater beter beschermen en de luchtkwaliteit verbeteren.
    Bron: Natuurstek, eind december 2013
    http://www.natuurstek.be/?q=achtergrondartikel/balans-van-de-biodiversiteit-vlaanderen

  • De spreeuw wordt nog maar zelden gezien in de stad Almere

    De spreeuw wordt nog maar zelden gezien in de stad Almere

    De bakker op het Almeerse Stationsplein doet weer goede zaken en de bankjes zitten vol. Tussen de voeten scharrelen duiven, mussen en spreeuwen hun kostje bij elkaar. Dit eens zo vertrouwde beeld is de laatste jaren drastisch veranderd. Sinds juni 2009 loop ik iedere woensdag een “duivenrondje”. Tijdens dit lunchloopje door het stadshart tel ik alle stadsvogels. Uit de telling blijkt dat alle echte stadsvogels langzaamaan in aantal afnemen. De spreeuw (Sturnus vulgaris) doet het van deze soorten het slechtst. Waar ik in 2009 nog vaak 10 spreeuwen tegenkwam, moet ik nu moeite doen om er ééntje te vinden. Deze achteruitgang is niet alleen in Almere aan de gang. Sinds eind jaren zeventig wordt de achteruitgang al opgemerkt. De Nederlandse broedpopulatie nam in 1984-2012 gemiddeld met 4% per jaar af. Daardoor is nog maar 40% over van de populatie uit de jaren tachtig. Reden om de soort op de Rode Lijst te plaatsen. Nederland is daarin niet uniek. De hele West-Europese broedpopulatie is gehalveerd.

    De bakker op het Almeerse Stationsplein doet weer goede zaken en de bankjes zitten vol. Tussen de voeten scharrelen duiven, mussen en spreeuwen hun kostje bij elkaar. Dit eens zo vertrouwde beeld is de laatste jaren drastisch veranderd. Sinds juni 2009 loop ik iedere woensdag een “duivenrondje”. Tijdens dit lunchloopje door het stadshart tel ik alle stadsvogels. Uit de telling blijkt dat alle echte stadsvogels langzaamaan in aantal afnemen. De spreeuw (Sturnus vulgaris) doet het van deze soorten het slechtst. Waar ik in 2009 nog vaak 10 spreeuwen tegenkwam, moet ik nu moeite doen om er ééntje te vinden. Deze achteruitgang is niet alleen in Almere aan de gang. Sinds eind jaren zeventig wordt de achteruitgang al opgemerkt. De Nederlandse broedpopulatie nam in 1984-2012 gemiddeld met 4% per jaar af. Daardoor is nog maar 40% over van de populatie uit de jaren tachtig. Reden om de soort op de Rode Lijst te plaatsen. Nederland is daarin niet uniek. De hele West-Europese broedpopulatie is gehalveerd.

    Het lijkt vreemd dat zo een cultuurvolger het slecht doet. Het is echter onwaarschijnlijk dat het aantal broedplaatsen in deze periode is afgenomen. Daarmee is de voedselsituatie de meest voor de hand liggende oorzaak. Spreeuwen zijn verzot op de larven van langpootmuggen. Deze emelten leven in de grond, vaak in grasland. De spreeuw steekt zijn snavel in de grond en spreidt deze. Door de bijzondere positie van het oog, kan hij langs de opening turen en zo de emelt opsporen. De meeste emelten vangt een spreeuw in vochtige graslanden. Vogelbescherming en SOVON hebben 2014 uitgeroepen tot het Jaar van de Spreeuw.
    Bron:
    Ton Eggenhuizen in Almere Natuur, 14-01-2013
    http://almerenatuur.wordpress.com/

  • Impacts of Neonicotinoid Insecticides on Biodiversity Need Urgent Attention

    Impacts of Neonicotinoid Insecticides on Biodiversity Need Urgent Attention

    Neonicotinoid insecticides are a relatively new, but widely-used, class of systemic, water-soluble nerve poisons. They are readily incorporated into all plant cells, as well as pollen and nectar. They act by binding to acetylcholine receptors of plant-feeding insects, inducing depolarization of motor neurons, tetanic contractions, neuromuscular destruction and death. Non-target plant-feeding insect groups (e.g., bees, certain moths and butterflies) exposed to these insecticides are at risk. Declines in these insect groups are well documented, while noting that these declines can be attributed to habitat loss and invasive species as well as to pollution from neonicotinoid insecticides and other agricultural chemicals. In many agricultural areas, populations of animals that rely on plant-feeding insects as food sources (e.g., birds, bats, amphibians, predatory insects) are also declining.

    Neonicotinoid insecticides are a relatively new, but widely-used, class of systemic, water-soluble nerve poisons. They are readily incorporated into all plant cells, as well as pollen and nectar. They act by binding to acetylcholine receptors of plant-feeding insects, inducing depolarization of motor neurons, tetanic contractions, neuromuscular destruction and death. Non-target plant-feeding insect groups (e.g., bees, certain moths and butterflies) exposed to these insecticides are at risk. Declines in these insect groups are well documented, while noting that these declines can be attributed to habitat loss and invasive species as well as to pollution from neonicotinoid insecticides and other agricultural chemicals. In many agricultural areas, populations of animals that rely on plant-feeding insects as food sources (e.g., birds, bats, amphibians, predatory insects) are also declining.

    Neonicotinoid insecticides also bind to vertebrate acetylcholine receptors, posing direct risks to vertebrate herbivores such as birds that may consume neonicotinoid-coated seeds.

    Many studies have documented deaths of honeybees and other plant pollinators exposed to neonicotinoid insecticides during agricultural operations. This creates threats to food security, placing at risk the global supply of the ~60% of crop plant species that are pollinator dependent. Adverse impacts of these insecticides on insect predators (rove beetles, carabid beetles, lady beetles, spiders)
    and potential losses of natural pest control services have also been addressed in a number of studies.

    When neonicotinoid insecticides are applied repeatedly their rate of degradation of is not always sufficiently rapid to avoid build-up in soils. At levels well below those that are directly toxic, neonicotinoid insecticides decrease activity (burrowing, feeding) of decomposer organisms such as earthworms. Similar adverse impacts have been observed on the activity of aquatic organisms that feed on plant residues. The water-soluble nature of neonicotinoid insecticides makes them susceptible to transport into aquatic habitats. When they are applied to rice crops, the normal suite of organisms found in rice paddies is drastically altered and may not recover over the duration of crop growth.

    Exposure to neonicotinoid insecticides stresses the immune systems of animals and increases their vulnerability to other drivers of biodiversity loss, such as invasive pests and diseases. It has been suggested that the introduction of these chemicals coincides with, and is linked to, the explosion of emerging infectious diseases of wildlife in a wide variety of taxa, including honeybees, fish, amphibians, bats and birds (Mason, R. et al. 2012. Immune suppression by neonicotinoid insecticides at the root of global wildlife declines. J. Environ. Immunol Toxicol 1(1): 3-12).

    Recent assessments by regulatory authorities have documented negative impacts of neonicotinoid insecticides on plant pollinators, and in particular honeybees. There has been limited regulatory attention to their impacts on biodiversity more generally, particularly on the many species that occur in agricultural areas. Many species groups found in agricultural areas (farmland birds, bats, butterflies, moths, fish and amphibians in watercourses receiving agricultural pollution, etc.) are declining, often at a faster rate than overall biodiversity. Various individual species within these groups have been assigned threatened status.

    Work already under way by organizations addressing the issue:
    Following a request by the European Commission, the European Food Safety Authority (EFSA) conducted assessments of three neonicotinoid insecticides – clothianidin, imidacloprid, and thiamethoxam – as regards their risks to bees. The EFSA has now placed a 2-year moratorium on selected uses (e.g., seed treatments) of these three neonicotinoid insecticides.

    Other relevant government agencies (e.g., the Environmental Protection Agency in the United States) are reviewing their decisions regarding registrations of neonicotinoid insecticides.

    Credible sources of information, preferably from peer-reviewed articles:
    Buglife –The Invertebrate Conservation Trust prepared a 2009 report on The impact of neonicotinoid
    insecticides on bumblebees, honey bees and other nontarget invertebrates with over 100 references (http://www.buglife.org.uk/Resources/Buglife/revised%20neonics%20report.pdf). In 2012, Buglife reviewed 41 articles that had appeared since their 2009 report. They concluded that 31 of the papers “contained evidence that neonicotinoids would or could have significant environmental impacts above and beyond what was previously known” – see
    (http://www.buglife.org.uk/Resources/Buglife/A%20review%20of%20recent%20research%20relating%20to%20the%20impact%20of%20neonicotinoids%20on%20the%20environment.pdf).

    The Xerces Society for Invertebrate Conservation prepared a comprehensive review of the literature relating to neonicotinoid insecticides and pollinators in 2012, Are Neonicotinoids Killing Bees? (http://www.xerces.org/neonicotinoids-and-bees/)

    The American Bird Conservancy prepared an analysis of the scientific literature on neonicotinoid insecticides and birds in 2013, The Impact of the Nation’s Most Widely Used Insecticides on Birds.
    (http://www.abcbirds.org/abcprograms/policy/toxins/Neonic_FINAL.pdf)

    New evidence of unexpected and significant impacts on biodiversity:
    The magnitude of impacts of neonicotinoid insecticides on biodiversity and non-target organisms was not foreseen when these chemicals were registered. An early study of imidacloprid (Pflüger, W. W., & Schmuck, R. R. 1991. Ecotoxicological profile of imidacloprid. Pflanzenschutz-Nachrichten Bayer 44(2): 145-158) examined “beneficial arthropods and other beneficial species; birds and mammals; and aquatic biocoenoses.” The authors concluded that “exhaustive tests for possible ecological effects demonstrate that although this compound is highly effective against a broad spectrum of pests, it is unusually safe in environmental terms.” Similarly, an early study of clothianidin (Schmuck, R. R., & Keppler, J. J. 2003. Clothianidin – ecotoxicological profile and risk assessment. Pflanzenschutz-Nachrichten Bayer 56(1): 26-58) concluded, based on “worst-case exposure and toxicity data for birds, mammals, and fish… that the use of clothianidin will pose only a negligible risk to these nontarget organisms under conditions of practical use.” The authors added that “the use of the compound as a seed dressing agent does not pose long-term risks to either terrestrial or aquatic nontarget arthropod species, as demonstrated in tests with simulated field exposure conditions.”

    A possible explanation for the unexpected and significant impacts on biodiversity shown in more recent studies of neonicotinoid insecticides is that risk assessments for new chemicals (e.g., as described in the OECD Manual for Assessment of Chemicals) focus largely on acute toxicity. Chronic toxicity is only considered based on the physical and chemical (not biological) properties of a chemical proposed for registration. However, in the case of neonicotinoid insecticides, repeated exposures can cause chronic, cumulative neurological damage in non-target organisms (as well as in target pests). There is very strong experimental evidence of impacts at sub-lethal levels. Also, conventional risk assessments do not generally consider ecosystem-level impacts, e.g., on terrestrial and aquatic food chains.
    Urgency of addressing the issue/imminence of the risk/magnitude of actual and potential impact on biodiversity:
    Many groups of organisms found in agricultural areas are experiencing catastrophic declines, including:

    • birds (e.g., Nebel, S. et al. 2010. Declines of aerial insectivores in North America follow a geographic gradient. Avian Conserv. Ecol. 5(2): 1. [online]);
    • bats (e.g., Wickramasinghe, L.P. et al. 2004. Abundance and species richness of nocturnal insects on organic and conventional farms: effects of agricultural intensification on bat foraging. Conserv. Biol. 18: 1283–1292);
    • amphibians (e.g., Blaustein, A.R. 2011. The complexity of amphibian population declines: understanding the role of cofactors in driving amphibian losses. Ann. N. Y. Acad. Sci. 1223: 108-119);
    • bumblebees (e.g., Cameron, S.A. et al. 2011. Patterns of widespread decline in North American bumble bees. Proc. Nat. Acad. Sci. 108(2): 662-667);
    • butterflies (e.g., Van Dyck, H. et al. 2009. Declines in common, widespread butterflies in a landscape under intense human use. Conserv. Biol. 23(4): 957-965);
    • moths (e.g., Conrad, K.F. et al. 2006. Rapid declines of common, widespread British moths provide evidence of an insect biodiversity crisis. Biol. Conserv. 132(3): 271-291); and
    • carabid beetles (Brooks, D. R. et al. 2012. Large carabid beetle declines in a United Kingdom monitoring network increases evidence for a widespread loss in insect biodiversity. J. Appl. Ecol. 49(5): 1009-1019).

    There is an urgent need for greater understanding of the degree to which exposure to neonicotinoid insecticides may be contributing to these declines, and how exposure to these chemicals may be interacting with other negative pressures on biodiversity in agricultural areas.

    Actual geographic coverage and potential spread, including rate of spread:
    Neonicotinoids are now the now the most widely used crop insecticides in the world. They are marketed in over 120 countries to protect more than 140 crops.

    Evidence of the absence or limited availability of tools to limit or mitigate the negative impacts of the issue on conservation and sustainable use:
    With older classes of pesticides whose mode of action is based on acute toxicity, farmers could practice integrated pest management – using tools such as regular surveys of crop fields for pest outbreaks, and spraying only when outbreaks occur. These integrated pest management tools resulted in reduced chemical use and thereby mitigated negative impacts on non-target organisms, at least to a degree.

    In contrast, systemic pesticides (such as neonicotinoid insecticides) are continuously present during the entire period of crop growth. This makes it difficult to avoid exposure of non-target organisms to these pesticides. The limited availability of integrated pest management tools specifically applicable to systemic pesticides poses unique challenges for conservation and sustainable use of biodiversity.

    Magnitude of actual and potential impact on human well-being:
    To date, concern about impacts of neonicotinoid insecticides on human well-being have largely focused on their unintended negative effects on pollinating insects (and to a lesser extent, predatory arthropods) and consequent effects on agricultural crop production. There is already evidence that over the period 1961-2008, food crops with greater pollinator dependence had lower mean and stability in relative yield and yield growth, despite global yield increases for most crops (Garibaldi, L.A. et al. 2011. Global growth and stability of agricultural yield decrease with pollinator dependence. Proc . Natl. Acad. Sci. 108(14): 5909-5914). Relatively poor yields of pollinator-dependent food crops are worrisome from a nutritional standpoint, because these are mainly fruits, nuts and vegetables rich in vitamins and mineral nutrients.

    Concern has also arisen about impacts of neonicotinoid insecticides on the ecosystem service of crop residue decomposition/nutrient cycling, in light of the evidence that these chemicals have negative impacts on earthworms and other decomposer organisms. This also could, at least in the longer term, reduce crop yields, or compel farmers to increase their use of chemical fertilizers.

    Neonicotinoid insecticides have documented negative impacts on aquatic food webs, thereby raising concerns about loss of productivity in freshwater fisheries and aquaculture systems.

    A recent study (Kimura-Kuroda, J. et al. 2012. Nicotine-like effects of the neonicotinoid insecticides acetamiprid and imidacloprid on cerebellar neurons from neonatal rats. PLoS ONE 7(2): e32432.) indicates that the neonicotinoid insecticides acetamiprid and imidacloprid exert excitatory effects on mammalian acetylcholine receptors similar to nicotine, a neurotoxin of brain development and a known risk factor for sudden infant death syndrome, low-birth-weight infants, and attention deficit/hyperactivity disorder. This raises concerns that neonicotinoid insecticides may adversely affect human health, especially the developing brain.

    Actual and potential impact on productive sectors and economic well-being:
    The strongest evidence for actual adverse impacts of neonicotinoid insecticides on productive sectors relates to yield of pollinator-dependent crops. For example, almond producers in California, USA, are highly dependent on pollination services provided by honeybees that are trucked into orchards during the period when trees are flowering. Losses of honeybee colonies during the winter of 2012-2013 were so great that there were fears that some trees would go unpollinated. Beekeepers brought in hives at the last minute from around the country. With good weather and a prolonged period of flowering, the crisis was mostly averted in 2013. However, such heroic measures are costly and unsustainable.

    Potential impacts of continued use of neonicotinoid insecticides must be examined in the context of a broader suite of factors affecting agricultural productivity and sustainability. Long-term economic well- being of the agriculture sector will require greater efforts to reduce its reliance on external chemical inputs and fossil fuels, so as to maintain food security and avoid unpredictable spikes in food prices.

    Source:
    Ottawa River Institute
    Ontario, Canada
    30 June 2013

  • Die Intensivierung der Landwirtschaft in den vergangenen Jahrzehnten hat zu einem hohen Verlust der Artenvielfalt in den Kulturlandschaften in Nord- und Mitteldeutschland geführt

    Die Intensivierung der Landwirtschaft in den vergangenen Jahrzehnten hat zu einem hohen Verlust der Artenvielfalt in den Kulturlandschaften in Nord- und Mitteldeutschland geführt

    Das haben Wissenschaftler der Universität Göttingen in Zusammenarbeit mit dem Senckenberg Museum für Naturkunde in Görlitz herausgefunden. Auf rund 1.000 Untersuchungsflächen – Ackerland, Grünland und Fließgewässer – wiederholten die Forscher Vegetationsaufnahmen aus den 1950er- und 1960er-Jahren, um den Wandel zu analysieren. Dabei stellten sie unter anderem fest, dass die Fläche artenreichen Grünlands auf frischen bis feuchten Böden in den vergangenen 50 Jahren um rund 85 Prozent abgenommen hat – heute dominieren artenarme intensiv gedüngte Grünländer. Ackerwildkräuter, die in den Fünfzigerjahren noch fast die gesamte Ackerfläche bedeckten, wachsen heute aufgrund von Düngung und Pestiziden nur noch auf knapp fünf Prozent der Ackerfläche. Die Zahl der Pflanzenarten ging im Grünland um 30 Prozent zurück, im Ackerland im Inneren der Felder um 71 Prozent und in Fließgewässern um 19 Prozent; die Häufigkeit der einzelnen Pflanzenarten ist in ähnlichem Ausmaß rückläufig. Zunahmen registrierten die Forscher lediglich bei sieben anpassungsfähigen Arten im Grünland, bei 18 Arten im Ackerland und bei zwei Arten in Fließgewässern.

    Das haben Wissenschaftler der Universität Göttingen in Zusammenarbeit mit dem Senckenberg Museum für Naturkunde in Görlitz herausgefunden. Auf rund 1.000 Untersuchungsflächen – Ackerland, Grünland und Fließgewässer – wiederholten die Forscher Vegetationsaufnahmen aus den 1950er- und 1960er-Jahren, um den Wandel zu analysieren. Dabei stellten sie unter anderem fest, dass die Fläche artenreichen Grünlands auf frischen bis feuchten Böden in den vergangenen 50 Jahren um rund 85 Prozent abgenommen hat – heute dominieren artenarme intensiv gedüngte Grünländer. Ackerwildkräuter, die in den Fünfzigerjahren noch fast die gesamte Ackerfläche bedeckten, wachsen heute aufgrund von Düngung und Pestiziden nur noch auf knapp fünf Prozent der Ackerfläche. Die Zahl der Pflanzenarten ging im Grünland um 30 Prozent zurück, im Ackerland im Inneren der Felder um 71 Prozent und in Fließgewässern um 19 Prozent; die Häufigkeit der einzelnen Pflanzenarten ist in ähnlichem Ausmaß rückläufig. Zunahmen registrierten die Forscher lediglich bei sieben anpassungsfähigen Arten im Grünland, bei 18 Arten im Ackerland und bei zwei Arten in Fließgewässern.

    Auch an konkreten Beispielen fehlt es in den Studien nicht: Vor rund 50 Jahren standen Grünland-Pflanzen wie das Wiesen-Schaumkraut und die Kuckucks-Lichtnelke auf fast jeder Wiese. Heute sind nur noch Restbestände von weniger als fünf Prozent im Vergleich zu damals vorhanden, vielerorts sind die Pflanzen ausgestorben. Auch im Ackerland betragen die Bestandsverluste vielfach zwischen 95 und 99 Prozent – ehemals weit verbreitete Arten wie der Acker-Rittersporn, die Knollen-Platterbse und das Sommer-Adonisröschen sind heute floristische Seltenheiten. Frühere Studien haben vergleichbare Verluste auch für Vögel im Acker- und Grünland gezeigt. Die Entwicklung bei anderen Organismengruppen wie beispielsweise Insekten ist bislang weniger bekannt.

    „Unsere Studien zeigen, dass die bisherigen Maßnahmen des Biodiversitätsschutzes in der Agrarlandschaft bei weitem nicht ausreichend waren und in vielen Regionen den Zusammenbruch der Agrar-Lebensgemeinschaften nicht verhindern konnten“, sagt der Pflanzenökologe Prof. Dr. Christoph Leuschner von der Universität Göttingen. „Da sich Deutschland im Rahmen der Nationalen Biodiversitätsstrategie zum Erhalt der Artenvielfalt in der Agrarlandschaft verpflichtet hat, müssen die politischen Entscheidungsträger dringend handeln.“

    Originalveröffentlichungen:
    Stefan Meyer et al (2013). Dramatic impoverishment of arable plant communities since the 1950s/60s – a large scale analysis across geological substrate groups. Diversity & Distributions 19: 1175-1187.

    Karsten Wesche et al (2012). Fifty years of change in Central European grassland vegetation: Large losses in species richness and animal-pollinated plants. Biological Conservation 150: 76-85.

    Kristina Steffen et al (2013). Diversity loss in the macrophyte vegetation of northwest German streams and rivers between the 1950s and 2010. Hydrobiologia 713: 1-17.

    Kontaktadresse:
    Prof. Dr. Christoph Leuschner
    Georg-August-Universität Göttingen
    Fakultät für Biologie und Psychologie
    Abteilung Pflanzenökologie und Ökosystemforschung
    Untere Karspüle 2, 37073 Göttingen, Telefon (0551) 39-5722
    E-Mail: cleusch@gwdg.de

    Thomas Richter | Quelle: Informationsdienst Wissenschaft
    Weitere Informationen:
    www.uni-goettingen.de/de/71395.html

  • Insecten als bijen, wespen en mieren hebben een gemeenschappelijke solitaire voorouder

    Insecten als bijen, wespen en mieren hebben een gemeenschappelijke solitaire voorouder

    Dat blijkt uit een onderzoek van de KU Leuven, dat aantoont dat de chemische structuur van koninginferomonen bij mieren, bijen en wespen zeer gelijkaardig is. De nesten van mieren, wespen bestaan uit dieren die zich voortplanten (koningin) en insecten die zich niet voortplanten (werksters). De koningin produceert feromonen die ervoor zorgen dat de werksters uit het nest onvruchtbaar zijn en dat enkel zij zich kan voortplanten. De onderzoekers vergeleken de chemische stoffen in de feromonen van verschillende verschillende bijen-, wespen- en mierensoorten. Ze merkten op dat de koninginferomonen van de drie insectensoorten tot dezelfde chemische klasse behoorden, de verzadigde koolwaterstoffen. Dit deed hen vermoeden dat deze feromonen bij elk van de drie soorten geëvolueerd is uit een signaal dat aanwezig was bij een verre gemeenschappelijke solitaire voorouder. “Ook solitaire soorten produceren deze verzadigde koolwaterstoffen. Zij gebruiken de stoffen om mannelijke soortgenoten aan te trekken”, zegt Tom Wenseleers van het departement Biologie. “Dit doet vermoeden dat de feromonen hun oorsprong vinden bij een solitaire soort die de verre voorouder is van alle mieren, bijen en wespen. Deze soort leefde ongeveer 145 miljoen jaar geleden.”

    Dat blijkt uit een onderzoek van de KU Leuven, dat aantoont dat de chemische structuur van koninginferomonen bij mieren, bijen en wespen zeer gelijkaardig is. De nesten van mieren, wespen bestaan uit dieren die zich voortplanten (koningin) en insecten die zich niet voortplanten (werksters). De koningin produceert feromonen die ervoor zorgen dat de werksters uit het nest onvruchtbaar zijn en dat enkel zij zich kan voortplanten. De onderzoekers vergeleken de chemische stoffen in de feromonen van verschillende verschillende bijen-, wespen- en mierensoorten. Ze merkten op dat de koninginferomonen van de drie insectensoorten tot dezelfde chemische klasse behoorden, de verzadigde koolwaterstoffen. Dit deed hen vermoeden dat deze feromonen bij elk van de drie soorten geëvolueerd is uit een signaal dat aanwezig was bij een verre gemeenschappelijke solitaire voorouder. “Ook solitaire soorten produceren deze verzadigde koolwaterstoffen. Zij gebruiken de stoffen om mannelijke soortgenoten aan te trekken”, zegt Tom Wenseleers van het departement Biologie. “Dit doet vermoeden dat de feromonen hun oorsprong vinden bij een solitaire soort die de verre voorouder is van alle mieren, bijen en wespen. Deze soort leefde ongeveer 145 miljoen jaar geleden.”

    Bron: HLN, 17-01-14
    http://www.hln.be/hln/nl/2661/Dieren/article/detail/1776034/2014/01/17/Bijen-wespen-en-mieren-hebben-gemeenschappelijke-voorouder.dhtml

  • Kamerbrief van staatssecretaris Dijksma over de publicatie van DiPrisco et al. (2013)

    Kamerbrief van staatssecretaris Dijksma over de publicatie van DiPrisco et al. (2013)

    De vaste commissie voor Economische Zaken heeft op 20 november 2013 om een reactie van de
    staatssecretaris van Economische Zaken gevraagd op de publicatie van DiPrisco et al, 2013.
    Het gaat daarbij om een artikel, gepubliceerd op 21 oktober in het wetenschappelijk tijdschrift ‘PNAS’: Di Prisco, Cavaliere, Annoscia, Vaaricchio, Caprio, Nazzi, Gargiulo & Pennacchio. Neonicotinoid clothianidin adversely affects insect immunity and promotes replication of a viral pathogen in honey bees. PNAS October 21 2013. www.pnas.org/cgi/doi/10.1073/pnas.1314923110. De brief van staatssecretaris Dijksma (EZ) aan de Tweede Kamer over deze publicatie (onderzoek naar de werking van een bepaald onderdeel van het immuunsysteem van honingbijen na blootstelling aan clothianidin of imidacloprid) is bijgevoegd. In een reactie op de Kamerbrief van de staatssecretaris schrijft de toxicoloog Henk Tennekes dat Landbouw bij de risicobeoordeling van de neonicotinoiden nog steeds blindelings vertrouwt op het oordeel van het Ctgb. De bewering van het Ctgb dat de publicatie van Di Prisco et al. “niet veld-relevant is voor Nederland”, onderstreept alleen maar incompetentie die deze instantie overigens wat de neonicotinoiden betreft al jarenlang ten toon spreidt, aldus Tennekes.

    De vaste commissie voor Economische Zaken heeft op 20 november 2013 om een reactie van de
    staatssecretaris van Economische Zaken gevraagd op de publicatie van DiPrisco et al, 2013.
    Het gaat daarbij om een artikel, gepubliceerd op 21 oktober in het wetenschappelijk tijdschrift ‘PNAS’: Di Prisco, Cavaliere, Annoscia, Vaaricchio, Caprio, Nazzi, Gargiulo & Pennacchio. Neonicotinoid clothianidin adversely affects insect immunity and promotes replication of a viral pathogen in honey bees. PNAS October 21 2013. www.pnas.org/cgi/doi/10.1073/pnas.1314923110. De brief van staatssecretaris Dijksma (EZ) aan de Tweede Kamer over deze publicatie (onderzoek naar de werking van een bepaald onderdeel van het immuunsysteem van honingbijen na blootstelling aan clothianidin of imidacloprid) is bijgevoegd. In een reactie op de Kamerbrief van de staatssecretaris schrijft de toxicoloog Henk Tennekes dat Landbouw bij de risicobeoordeling van de neonicotinoiden nog steeds blindelings vertrouwt op het oordeel van het Ctgb. De bewering van het Ctgb dat de publicatie van Di Prisco et al. “niet veld-relevant is voor Nederland”, onderstreept alleen maar incompetentie die deze instantie overigens wat de neonicotinoiden betreft al jarenlang ten toon spreidt, aldus Tennekes.

    Bron: Rijksoverheid

  • ‘Grootste bijenonderzoek ooit’: Australiërs plakken sensoren op 5000 bijen

    ‘Grootste bijenonderzoek ooit’: Australiërs plakken sensoren op 5000 bijen

    Australische onderzoekers gaan de komende maanden 5000 bijen met een sensor volgen om erachter te komen waarom de bijenpopulatie wereldwijd in een razend tempo afneemt. De bijen die onderzocht worden gaan eerst de koelkast in, waardoor ze in slaap raken. Dan kunnen de onderzoekers een voor een de sensoren van 2,5 bij 2,5 millimeter op de rug van de honingbijen plakken. Vervolgens hopen de onderzoekers erachter te komen waarom de kolonies verdwijnen. Het verdwijnen van de bijenkolonies kan te maken hebben met het gebruik van pesticiden. De onderzoekers zijn van plan de bijen van de ene bijenkorf te voeden met voedsel met lichte concentraties pesticiden, terwijl de bijen bij een andere korf voedsel krijgt dat pesticidenvrij is.
    De onderzoekers verwachten dat de bijen die pesticiden binnenkrijgen bijvoorbeeld langzamer gaan vliegen, of zich vergissen en bij de verkeerde bijenkorf naar binnen vliegen. Dit zijn volgens de Australiërs een van de redenen dat kolonies stoppen met bestaan. ‘Dit is het grootste onderzoek ooit gehouden met bijen’, zegt hoofdonderzoeker bij CSIRCO Paulo de Souza tegen The Guardian. ‘We zullen de bijen twee maanden in de gaten houden en dat is een lange tijd voor een bijenonderzoek.

    Australische onderzoekers gaan de komende maanden 5000 bijen met een sensor volgen om erachter te komen waarom de bijenpopulatie wereldwijd in een razend tempo afneemt. De bijen die onderzocht worden gaan eerst de koelkast in, waardoor ze in slaap raken. Dan kunnen de onderzoekers een voor een de sensoren van 2,5 bij 2,5 millimeter op de rug van de honingbijen plakken. Vervolgens hopen de onderzoekers erachter te komen waarom de kolonies verdwijnen. Het verdwijnen van de bijenkolonies kan te maken hebben met het gebruik van pesticiden. De onderzoekers zijn van plan de bijen van de ene bijenkorf te voeden met voedsel met lichte concentraties pesticiden, terwijl de bijen bij een andere korf voedsel krijgt dat pesticidenvrij is.
    De onderzoekers verwachten dat de bijen die pesticiden binnenkrijgen bijvoorbeeld langzamer gaan vliegen, of zich vergissen en bij de verkeerde bijenkorf naar binnen vliegen. Dit zijn volgens de Australiërs een van de redenen dat kolonies stoppen met bestaan. ‘Dit is het grootste onderzoek ooit gehouden met bijen’, zegt hoofdonderzoeker bij CSIRCO Paulo de Souza tegen The Guardian. ‘We zullen de bijen twee maanden in de gaten houden en dat is een lange tijd voor een bijenonderzoek.

    De resultaten van het onderzoek kunnen leiden tot nieuwe regelgeving met betrekking tot het gebruik van pesticiden in de land- en tuinbouw. De Europese Regelgeving is vanaf 1 december al aangepast. Europese landbouwers mogen planten en bloemen die de honingbij aantrekken niet meer bespuiten met drie soorten pesticiden die schadelijk zijn gebleken.

    Wetenschappers twijfelen wel nog of deze nieuwe regelgeving voldoende effect heeft omdat bepaalde pesticiden nog steeds gebruikt mogen worden en het verbod moeilijk te handhaven is. Daarnaast zullen boeren die minder goed werkende pesticiden gebruiken een afname zien in de oogst. De boeren zullen daarom sneller geneigd zijn om toch weer sterkere middelen te gebruiken om te kunnen concurreren met boeren wereldwijd die de bestrijdingsmiddelen wel mogen gebruiken.

    Als het pesticidenonderzoek is afgerond zal het Australische team onderzoeken of andere aspecten ook te maken kunnen hebben met de verdwijning van de kolonies.

    De Volkskrant, 15-01-14
    http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2668/Buitenland/article/detail/3577899/2014/01/15/Grootste-bijenonderzoek-ooit-Australiers-plakken-sensoren-op-5000-bijen.dhtml

  • Het onverteerbare gezicht van kapitalisme – Monsanto wint rechtzaak tegen biologische boeren

    Het onverteerbare gezicht van kapitalisme – Monsanto wint rechtzaak tegen biologische boeren

    Monsanto’s heeft het recht boeren aan te klagen als zaden van genetisch gemodificeerde gewassen worden aangetroffen op bedrijven die deze niet hebben aangeschaft. Dat heeft het Amerikaanse hooggerechtshof besloten in een hoger beroepszaak die was aangespannen door een groep boeren en Canadese en Amerikaanse organisaties, waaronder de Organic Seed Growers & Trade Association. In 2011 werd al eerder een poging gedaan om Monsanto juridisch aan te pakken. De boeren zijn van mening dat hun gewas ongewild met genetisch gemodificeerde organismen (gmo’s) vervuild kan raken door verwaaiing van zaden uit naburige percelen. Een vervuiling kan tot gevolg hebben dat zij hun producten niet als biologisch kunnen afzetten. Zij vinden bovendien dat Monsanto te ver gaat met het claimen van patenten op gevonden eigenschappen van planten. Er worden op deze wijze delen van de natuur geclaimd waar klassieke veredelaars geen gebruik meer van kunnen maken zonder het risico te lopen om aangeklaagd te worden.

    Monsanto’s heeft het recht boeren aan te klagen als zaden van genetisch gemodificeerde gewassen worden aangetroffen op bedrijven die deze niet hebben aangeschaft. Dat heeft het Amerikaanse hooggerechtshof besloten in een hoger beroepszaak die was aangespannen door een groep boeren en Canadese en Amerikaanse organisaties, waaronder de Organic Seed Growers & Trade Association. In 2011 werd al eerder een poging gedaan om Monsanto juridisch aan te pakken. De boeren zijn van mening dat hun gewas ongewild met genetisch gemodificeerde organismen (gmo’s) vervuild kan raken door verwaaiing van zaden uit naburige percelen. Een vervuiling kan tot gevolg hebben dat zij hun producten niet als biologisch kunnen afzetten. Zij vinden bovendien dat Monsanto te ver gaat met het claimen van patenten op gevonden eigenschappen van planten. Er worden op deze wijze delen van de natuur geclaimd waar klassieke veredelaars geen gebruik meer van kunnen maken zonder het risico te lopen om aangeklaagd te worden.

    Monsanto heeft al 140 procedures gevoerd tegen boeren die volgens het bedrijf op een illegale manier gebruik hebben gemaakt van genetische gemodificeerd zaad met eigenschappen waar het bedrijf patenten op heeft. In circa 700 gevallen trof het bedrijf met de betroffen boer een schikking. Hoewel de rechter onderkent dat het onvermijdelijk is dat de gepatenteerde zaden ongewild door verwaaiing in iemands gewas terecht kunnen, ontneemt dat Monsanto niet het recht om boeren aan te klagen, zo oordeelt de rechter.

    Bron: Boerderij Vandaag & Agri Holland Nieuws, 15-01-2013
    http://www.agriholland.nl/nieuws/artikel.html?id=155497