Deutschland wird von Feldlerchen Alauda arvensis flächendeckend besiedelt. Seit den 1960er Jahren nehmen die Feldlerchenbestände jedoch erheblich ab. Der Pestizideinsatz verringert das Nahrungsangebot für Jungvögel.
Blog
-
Das Braunkehlchen ist jetzt eine gefährdete Vogelart in Deutschland
Das Braunkehlchen Saxicola rubetra gehörte in Deutschland früher zu den weit verbreiteten Vogelarten mit einem Schwerpunkt in Norddeutschland. Seit den 1950er Jahren gehen seine Bestände erheblich zurück. Seit den 1990er Jahren hat sich eine Stabilisierung auf geringem Niveau eingestellt.
-
The decline of the insectivorous Whinchat is related to a decreased availability of invertebrates
The recent intensification of farming practices has led to a decrease in the availability of grassland invertebrates, and of important Whinchat Saxicola rubetra nestling food in particular, affecting parents’ foraging efficiency and reproductive success.
-
Schutz der Heidelerche auf dem Schaffhauser Randen
Die Heidelerche Lullula arborea ist eine in der Schweiz stark gefährdete Vogelart. Nach stetigem Rückgang kam die Heidelerche Anfang der Achtzigerjahre im östlichen Jura praktisch nur noch auf dem Schaffhauser Randen vor. Seit 1997 hat sich der Bestand der bedrohten Heidelerche – dank Buntbrachen – auf dem Schaffhauser Randen nahezu verdoppelt, ebenso konnten auch andere Vogelarten wie der Baumpieper Anthus trivialis oder die Goldammer Emberiza citrinella von den Massnahmen zur Verbesserung ihres Lebensraum profitieren. Buntbrachen sind mit Ackerwildkräutern angesäte, mehrjährige Streifen auf stillgelegtem Ackerland. Nicht nur für Vögel haben die Buntbrachen positive Auswirkungen, auch das Wild sowie unzählige Insekten und Spinnen nutzen das neue Nahrungsangebot dieser ökologischen Ausgleichsflächen.
-
De Tapuit verdwijnt als broedvogel uit de Benelux
Rond 1960 hebben naar schatting 2.500 – 3.000 tapuiten Oenanthe oenanthe in Nederland gebroed en in de periode 1973-77 was de soort als broedvogel nog steeds wijd verspreid in Nederland. De tapuit broedde niet alleen in heidevelden, veengebieden en duinen maar ook in cultuurland op de zandgronden. Vanaf de jaren tachtig begint de verspreiding snel ijler te worden waarbij aanvankelijk vooral leemtes ontstaan in de kleinschalige agrarische landschappen in Drenthe, de Friese zandgronden, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg. Tot in de ’80er jaren was de tapuit nog een wijdverbreide broedvogel in de kustduinen. Vanaf 1990 is er een verdere zeer sterke afname van >5% per jaar van broedende tapuiten en in 1998-2000 was de tapuit verdwenen uit de Zuid- en Midden-Nederlandse heide- en stuifzandgebieden.
-
De Grauwe Klauwier is door een gebrek aan grote insecten zo goed als uitgestorven in Nederland en Vlaanderen
Mogelijk waren er rond 1900 in Nederland enige duizenden grauwe klauwieren Lanius collurio, die in vele landschapstypen voorkwamen. De soort heeft het lang volgehouden in de duinen, die tot in de jaren ’50 een bolwerk van de grauwe klauwier vormden. Sindsdien is de duinpopulatie sterk afgenomen, eerst in de duinen van het vasteland en vanaf de jaren ’80 ook op de Waddeneilanden. Rond 1960 werd de stand in Nederland geschat op 400 paren. In 1985 werden nog slechts 80-140 paren geteld in Nederland. Sinds 1990 was er weer een significante afname. In de duinstrook werd in 1997 en 1998 nog een broedgeval gezien op Ameland. Nadien waren er nog slechts enkele onregelmatige broedgevallen in de hele Nederlandse duinstrook.
De hoofdmoot van het menu van de grauwe klauwier bestaat uit grote insecten zoals kevers, bijen, hommels, sprinkhanen en libellen. De algehele veraming van de insectenfauna lijkt de belangrijkste oorzaak te zijn geweest voor het verdwijnen van de grauwe klauwier uit de Nederlandse duinen. Ook in Vlaanderen is de populatie van de grauwe klauwier dramatisch achteruit gegaan: rond 1970 werd het aantal broedende grauwe klauwieren nog op 340 paar geschat, maar in de periode 1990-1994 werden nog slechts 6-7 ‘echte’ broedparen geteld in de enig overgebleven Limburgse populatie. Ook in Engeland, Italië, Andorra, Slowakije, Slowenië, Servië, Litouwen, Griekenland en Scandinavië ging de grauwe klauwier in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).
-
Het paapje komt door het gebruik van pesticiden nauwelijks meer voor in het boerenland
In 1960 omvattende de Nederlandse populatie van het paapje Saxicola rubetra 2.500-4000 paren. De huidige aantallen liggen ruim 80% lager. Ook vanaf 1990 is er een significante afname. Voor het paapje is een ruim en gevarieerd insectenaanbod cruciaal. Deze vogelsoort is verdwenen uit het agrarische cultuurland en de duinen. Uit recent onderzoek van Wageningen Universiteit en acht andere Europese universiteiten is gebleken dat het gebruik van pesticiden, zoals in de intensieve akkerbouw, een negatief effect heeft op de biodiversiteit van wilde planten, loopkevers en broedvogels. Ook voor een aantal afzonderlijke broedvogelsoorten waaronder het paapje bleken insecticiden en fungiciden de doorslaggevende factoren te zijn. Het voorkomen van het paapje is nu geconcentreerd in hoogvenen, vochtige heidevelden en natte graslanden in het noordoosten van het land (Drenthe, Oost-Groningen, Zuidoost-Friesland). In het Bargerveen nam het aantal territoria af van van 11 tot 18 in de periode 2000 tot 2003 naar 6 in 2009; in het Drents-Friese Wold nam het aantal territoria af van 9 tot 21 in de periode 2000 tot 2003 naar 9 in 2009.
-
Nederlandse populatie van huismussen is in de jaren 1990 gehalveerd
Zelfs mensen die niets met vogels hebben, geven toe geschrokken te zijn van het nieuws dat de huismus Passer domesticus hard achteruit gaat in Nederland. In de jaren 1970 werd het aantal broedparen geschat op 1 à 2 miljoen. Tussen 1990 en 2000 is het aantal ongeveer gehalveerd. In 1998-2000 werd de broedpopulatie door SOVON geschat op 500.000 – 1.000.000 paar. Sinds 2000 lijkt het of het aantal broedparen van de huismus in Nederland stabiliseert. Volwassen huismussen zijn graan- en onkruidzaden eters. Jonge huismussen worden vooral gevoerd met rupsen en insecten. Uit Rotterdams onderzoek zijn de belangrijkste oorzaken naar voren gekomen: onvoldoende insectenaanbod (de belangrijkste voedingsbron voor jonge mussen die nog veel eiwitrijk voedsel nodig hebben), het gebruik van pesticiden ter bestrijding van luizen, het wegbranden van onkruiden en gebruik van herbiciden tegen onkruiden (ook een voedselbron voor de huismus), predatie door huiskatten en tenslotte het verkeer. In Vlaanderen wordt aangenomen dat er een achteruitgang met ongeveer 30% plaatsvond tijdens de afgelopen 40 jaar. Hoewel de verspreiding van de Huismus niet sterk veranderde, ging vooral het aantal huismusgroepen achteruit en werd de gemiddelde grootte van deze groepen kleiner. In Vlaanderen is de huismus als achteruitgaand op de rode lijst gezet. De huismus staat als gevoelig op de Nederlandse en Duitse rode lijst om aan te geven dat hun afname in aantal ‘zorgelijk’ is. De huismus ging in de jaren 1990 in grote delen van Europa sterk achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).
-
Frank Berendse (Wageningen Universiteit) in de Tweede Kamer: De akkervogels verdwijnen door het gebruik van bestrijdingsmiddelen
Uit recent onderzoek van Wageningen Universiteit en andere Europese universiteiten is gebleken dat pesticiden in de intensieve akkerbouw een negatief effect hebben op de biodiversiteit van wilde planten, kevers en broedvogels (zie bijlage). ‘Het gebruik van insecticiden en fungiciden blijkt consistent een groot negatief effect te hebben op de biodiversiteit. Die uitkomsten zijn zeer robuust’, stelt Frank Berendse,hoogleraar Natuurbeheer en plantenecologie in Wageningen. Een verdubbeling van de agrarische productie, van 4 naar 8 ton per hectare, leidt gemiddeld tot een halvering van het aantal wilde plantensoorten en het verlies van een derde van het aantal soorten loopkevers en broedvogels. Op 3 november 2010 deed Prof. Frank Berendse verslag van de resultaten van het onderzoek tijdens een rondetafelgesprek van de Vaste commissie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie (zie bijlage). De gevolgen voor de Nederlandse akkervogels zijn catastrofaal. De grauwe gors en de ortolaan zijn inmiddels verdwenen en het paapje komt als akkervogel niet meer voor. Korhoenders en kwartelkoningen zijn ook zo goed als uitgestorven. De geelgors is verdwenen uit het westen en noorden van het land. Andere tot voor kort wijd verspreide akkervogels (patrijs, veldleeuwerik en kievit) verliezen in razend tempo terrein. De cijfers uit Vlaanderen zijn ook weinig hoopgevend: traditionele akkervogels zoals Patrijs, Veldleeuwerik, Grauwe Gors, Geelgors en Ringmus vertonen een afname van -50 tot zelfs -95 % op 30 jaar tijd. Ook in Luxemburg zijn akkervogels uitgestorven (korhoen, grauwe gors) of worden met uitsterven bedreigd (paapje, kievit, kwartelkoning).
-
Der Kuckuck fühlt sich in Zürich nicht mehr heimisch
Der Zürcher Vogelschutz (ZVS)/Birdlife Zürich hat 2006 bis 2008 im ganzen Kanton die Brutvögel gezählt und dabei festgestellt, dass sich der Bestand seit der letzten Zählung vor 20 Jahren um 10 Prozent verringert hat. 1988 brüteten 602 000 Paare auf Kantonsgebiet, 2008 waren es noch 550 000. So populäre Vögel wie der Kuckuck Cuculus canorus sind nur noch an wenigen stellen zu sehen. Sein Bestand ist von 350 Paaren auf 200 zurückgegangen; bei der Feldlerche Alauda arvensis gar von 2900 auf 530.