The European Plant Protection Products Registration Directive (91/414/EEC) requires that there is not an unacceptable impact on non-target organisms in the aquatic and terrestrial environment and that the annual average concentration of an active substance or relevant metabolite does not exceed 0.1 microgram per liter in any ground water. Leaching is a major process for the transport of pesticides to ground and surface water. Four factors govern the potential for groundwater contamination by pesticides passing through the soil: properties of the soil and of the pesticide, hydraulic loading (total amount of water applied to the soil) on the soil, and crop management practices. The most sensitive soil is an irrigated sandy soil with very low organic matter content. The least sensitive soil is a well-drained clayey soil with high organic matter content.
Blog
-
British farmland birds population plummet by 11 per cent since the mid 1990s
Official figures show that farmland bird populations have plummeted by 11 per cent across England since the mid 1990s – and that once common species such as the starling Sturnus vulgaris, turtle dove Streptopelia turtur and corn bunting Miliaria calandra are suffering the most.
-
Bee numbers in England halved over the last 20 years
England’s bees are vanishing faster than anywhere else in Europe, with more than half of hives dying out over the last 20 years, according to a new study.
-
Sterke achteruitgang van de grutto in het Wormer- en Jisperveld vanaf 2001 door gebrek aan grotere insecten
In het Wormer- en Jisperveld, het grootste aaneengesloten veenweidegebied van West-Europa en één van de best bewaarde voorbeelden van het West-Nederlandse laagveenlandschap, werd in 2007 een sterke achteruitgang van weidevogels zoals grutto Limosa limosa en kievit Vanellus vanellus vastgesteld t.o.v. 2004 (zie bijlage). Tussen 1980 en 2001 was het aantal broedparen gruttos min of meer constant. Van 2001 tot 2004 is de daling ingezet met ca 1 % per jaar. In de periode daarop, van 2004 tot 2006 loopt de daling op naar bijna 5 % echter in 2007 is er een achteruitgang van meer dan 22% gemeten. Begin mei 2007, rond het uitkomen van de gruttonesten, en midden mei als de kuikens een grote voedselbehoefte hebben werden in vijf polders in Noord-Holland (de Hempolder, het Wormer- en Jisperveld, Waterland, de Ronde Hoep, de Bovenkerkerpolder) en één in Utrecht (Bosdijk-Donkereind) insecten bemonsterd (met behulp van plakstrips), zie bijlage.
-
Insecticiden en de achteruitgang van de groene glazenmaker in de Reeuwijkse Plassen
Een van de kenmerkende soorten van het Zuid-Hollandse veenlandschap is de groene glazenmaker Aeshna viridis, een vrij grote libel (ongeveer zeven centimeter lang). De groene glazenmaker wordt in zijn voortbestaan bedreigd en zit in Zuid-Holland voor een groot deel in agrarisch gebied. In de provincie Zuid-Holland wordt op een tiental locaties de populaties van de groene glazenmaker vanaf 1998 jaarlijks geteld. In 1999 werden de hoogste aantallen aangetroffen. Daarna is het algemene beeld een dalende trend. In 2002 waren er veel routes die geen waarnemingen meer opleverden. De grote populatie van de groene glazenmaker in het Reeuwijkse Plassengebied (dertien plassen tussen Bodegraven en Gouda) lijkt de laatste jaren in omvang te zijn afgenomen. De Reeuwijkse plassen behoort tot de plaatsen waar de aantallen van de insectenetende grote karekiet Acrocephalus arundinaceus eveneens sterk zijn afgenomen. In het oppervlaktewater van de landbouwgronden rondom de Reeuwijkse Plassen (die bij hevige regenval water aan de plassen leveren) zijn vanaf 2004 zeer hoge concentraties van insecticiden gemeten, die een dodelijke bedreiging voor insecten vormen.
-
Kenmerkende libellensoorten van laagveenmoerassen zijn sterk achteruit gegaan
De groep van kenmerkende libellensoorten van laagveenmoerassen is in de loop van de 20e eeuw sterk achteruitgegaan, waaronder de gevlekte witsnuitlibel Leucorrhinia pectoralis en de Noordse winterjuffer Sympecma paedisca. Tot de jaren 1970 was de noordse winterjuffer vrij algemeen in Midden- en Noord-Nederland, maar in de jaren erna is de soort sterk achteruitgegaan en in de jaren 1990 waren alleen populaties bekend in de Weerribben en de Kuinderplas (Noordoostpolder). Tussen 1900 en 1950 had de gevlekte witsnuitlibel een behoorlijk ruime verspreiding in Nederland (de populatie moet toen bestaan hebben uit enkele tientallen locaties met wellicht in totaal 10.000 dieren per jaar). Het huidige zwaartepunt van de verspreiding van deze soort ligt in de Wieden en Weerribben en het Vechtplassengebied. Vroeger kwam de gevlekte witsnuitlibel ook voor op de zandgronden van oostelijk en zuidelijk Nederland en ook in de duinen zijn tot in de jaren zestig omvangrijke populaties aanwezig geweest. Tegenwoordig bevinden zich in deze regio’s slechts enkele kleine en meestal tijdelijke populaties.
-
Drastische achteruitgang van steenvlieg Leuctra nigra op Nationaal Park de Meinweg sinds 1988
Nationaal Park De Meinweg staat al lang bekend als een uitzonderlijk gebied voor eendagsvliegen (de oudste orde van aquatische insecten) en steenvliegen (een van de meest primitieve groepen van waterbewonende insecten). Van eendagsvliegen of haften (Ephemeroptera) zijn van 60 in Nederland voorkomende soorten na 1970 nog maar 33 soorten aangetroffen. Van steenvliegen (Plecoptera) zijn van 28 in Nederland voorkomende soorten na 1955 nog maar 10 soorten aangetroffen. Van de actuele Nederlandse steenvliegfauna komt maar liefst de helft voor op de Meinweg. Van de populatie van de in Nederland zeer zeldzame steenvlieg Leuctra nigra werden tot 1988 regelmatig tientallen tot honderden exemplaren aangetroffen in de Bosbeek op de Meinweg, na die tijd is nog slechts incidenteel een enkel exemplaar verzameld. Steenvliegen zijn extreem gevoelig voor neonicotinoide insecticiden: thiacloprid had een dodelijke werking op Nemoura cinerea bij een concentratie van 100 nanogram per liter.
-
Bijna alle insectengroepen gaan in Nederland achteruit
Dat geldt zowel voor de groepen die als larve aan water zijn gebonden, zoals haften, libellen en steenvliegen, als ook bij groepen die geheel op het land leven. De relatief grootste achteruitgang is geconstateerd bij de steenvliegen. Door watervervuiling en normalisering van beken en rivieren verdwenen voor 1940 14 van de 28 inheemse soorten, tot 1960 nog eens vijf, en van de resterende negen soorten zijn er vier zéér lokaal en is één in de Geul levende soort al meer dan tien jaar niet waargenomen. Van de 60 soorten inheemse libellen worden er 15 in hun voortbestaan bedreigd; van de 76 soorten inheemse dagvlinders wordt voor 30 soorten gevreesd.
-
De gestreepte waterroofkever is sinds 1980 uit grote delen van Nederland verdwenen
De gestreepte waterroofkever Graphoderus bilineatus is momenteel de enige in Nederland voorkomende waterkever met een wettelijk beschermde status. Met een lengte van ongeveer 15 mm behoort G. bilineatus tot de grotere soorten waterroofkevers. Binnen het Europese verspreidingsgebied (vooral in het westen) lijkt de soort sterk achteruit te zijn gegaan gedurende de laatste decennia. Voor 1980 werd de soort in grote delen van ons land (met uitzondering van de brakke kustgebieden) gevonden maar is sinds 1980 op veel plaatsen niet meer waargenomen. De recente vindplaatsen zijn de Nieuwkoopse Plassen, het Vechtplassengbied, Noordwest-Overijssel en de omstreken van Heerenveen. De soort komt in Zuid-Holland buiten de Nieuwkoopse Plassen vrijwel zeker niet meer voor. De oorzaken van de achteruitgang moeten vooral gezocht worden in verslechterde waterkwaliteit.
-
Insecticiden in oppervlaktewater bedreigen zeldzame rietvogels in de Oostvaardersplassen
De Oostvaardersplassen is een van de belangrijkste moerasgebieden in Nederland en een vooraanstaand broedgebied van zeldzame rietvogels zoals baardman Panurus biarmicus, porseleinhoen Porzana porzana, snor Locustella luscinioides, roerdomp Botaurus stellaris en lepelaar Platalea leucorodia. De visetende roerdomp en lepelaar doen het uitstekend in de Oostvaardersplassen (zie bijlage) en vertonen ook landelijk sinds 1990 een matige respectievelijk sterke toename. Veel minder rooskleurig is de situatie voor baardman en porseleinhoen, die van insecten en andere ongewervelden afhankelijk zijn en landelijk sinds 1990 een matige afname laten zien (zie bijlage). Een verband tussen deze afname en insectenschaarste als gevolg van milieuverontreiniging met insecticiden kan niet worden uitgesloten.