De Vlinderstichting concludeerde dat 2020 over de hele linie geen goed vlinderjaar was: in de kernmaanden juli en augustus lagen de tellingen via het landelijke meetnet zo’n 25 procent onder het langjarig gemiddelde, al vielen april en september juist relatief goed uit. Soorten als het koevinkje en de kleine vos deden het opnieuw slecht, en het donker pimpernelblauwtje kreeg in zijn enige resterende leefgebied te maken met beheerfouten die de voortplanting schaadden. Daar stonden ook lichtpuntjes tegenover: het bruin blauwtje en de kleine parelmoervlinder profiteerden van droogte en warmte, de grote vos leek zich blijvend te herstellen, en het scheefbloemwitje – pas sinds 2015 in Nederland waargenomen – breidde zich verder uit.